Gemeenschappelijk Landbouwbeleid: Publieke belangen centraal

Deel 2: Advies over de toekomst van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid

De minister van LNV heeft de Raad voor het Landelijk Gebied in 2006 gevraagd te adviseren over de toekomst van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). De raad is gevraagd zich vooral te richten op de publieke rol van de landbouw, het belang daarvan en het maatschappelijke draagvlak daarvoor. Op basis daarvan kan de raad zich uitspreken over de wenselijkheid en globaal over de vorm van betalingen aan de landbouw.

Ook heeft de minister de raad gevraagd met dit advies de kwaliteit van het debat te bevorderen. De raad heeft in 2007 in dit adviestraject twee adviezen uitgebracht:

  1. Bedrijfstoeslagen, advies over het systeem van bedrijfstoeslagen (maart 2007);
  2. Publieke belangen centraal, advies over de lange termijn van het GLB. (november 2007).

In dit advies ‘gemeenschappelijk landbouwbeleid: Publieke belangen centraal’ geeft de Raad voor het Landelijk Gebied aan dat de ratio voor Europese overheidsbemoeienis met de landbouw dient te liggen in het borgen van publieke belangen als veiligstellen van de voedselvoorziening, duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen en maatschappelijk verantwoorde productiemethoden. Voor een werkzaam systeem is het noodzakelijk dat de betreffende diensten kunnen worden vertaald in te leveren prestaties of maatregelen op bedrijfsniveau en dat een systeem voor vergoeding van deze maatregelen ook uitvoerbaar en handhaafbaar is. De raad verwacht dat er een lange weg te gaan is, voordat zo’n systeem op Europees niveau gerealiseerd kan zijn. De komende periode kan er stapsgewijs gewerkt worden aan een strakkere relatie tussen de omvang van de ondersteuning en de omvang van de geleverde publieke diensten. Naarmate het systeem van gerichte betalingen verder ingevuld wordt, kan de omvang van de regionale premie omlaag.
Verschillende genoemde publieke belangen (met name duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen, leefomgeving) vergen een gebiedsgerichte aanpak. Invulling en financiering kunnen dan het beste via cofinanciering worden vormgegeven, met een regionale, nationale en Europese component. Voortbestaan van de landbouw in bepaalde gebieden is middel en geen doel. Hetzelfde geldt voor inkomensondersteuning. In het beheer van de natuurlijke hulpbronnen is de rol van de provincies de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen. De raad acht het van belang dat op korte termijn de betrokken ministeries, waterschappen en de provincies in overleg met betrokken organisaties als LTO Nederland, Stichting Natuur & Milieu of de Vereniging Nederland Cultuurlandschap tot een gezamenlijk actieplan komen.

Op 6 september 2007 heeft de raad de minister van LNV een brief gestuurd over zijn bevindingen in het maatschappelijk debat over het GLB.
De leerstoelgroep Bestuurskunde van Wageningen Universiteit heeft in opdracht van de raad onderzoek gedaan naar het maatschappelijk debat over het GLB en daarover gepubliceerd in het rapport ‘Het Nederlands debat rondom Landbouw, Landschap en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid’.

De raad heeft in 2007 ter ondersteuning van de adviezen een groot aantal gesprekken gevoerd en een aantal bijeenkomsten georganiseerd:

  • rondetafelgesprek in februari 2007 met een twintigtal betrokkenen bij het GLB;
  • open werkbijeenkomst ‘Nederlands landschap en Europees landbouwbeleid op 3 juli 2007 met deelname van 50 betrokkenen en relatieve buitenstaanders (samen met de leerstoelgroep Bestuurskunde van Wageningen Universiteit);
  • presentatie van het tweede advies op 15 november 2007 in de Paleiskerk te Den Haag, samen met het Milieu- en Natuur Planbureau met een symposium voor 140 personen.