Stad en stijging

Sociale stijging als leidraad voor stedelijke vernieuwing

In het advies bepleit de raad om de wens van bewoners om vooruit te komen als vertrekpunt voor het stedelijke vernieuwingsbeleid te kiezen. Dit noemt de raad ‘het sociale stijgingsperspectief’. In de huidige stedelijke vernieuwing is de aandacht hiervoor te veel uit het oog verloren. Wat domineert zijn projecten van fysieke ‘upgrading’ voor vastgoed en initiatieven gericht op leefbaarheid en sociale cohesie. Hierdoor worden maatschappelijke en economische kansen gemist.

De keuze voor dit nieuwe perspectief heeft twee belangrijke implicaties. Allereerst betekent het dat sociale stijging in de stad mogelijk moet zijn. Omdat vooruitkomen doorgaans niet met grote sprongen verloopt maar met kleine stapjes, pleit de raad voor extra treden op de ‘ladder’: op het gebied van wonen, werken, onderwijs en vrije tijd. Ten tweede onderstreept het perspectief het belang van binding van de stedelijke middenklasse aan de stadswijken. Deze middenklasse hoeft niet van buitenaf te komen: zij woont in potentie om de hoek en wordt in de stad voortgebracht. Ze vormt het sociaal kapitaal van de stad en is nodig voor de stijging van anderen. Om deze sociale stijgers aan de stad te binden, moeten extra kwaliteiten aan de wijk worden toegevoegd die aansluiten bij hun wensen.

In het advies ‘Stad en stijging: sociale stijging als leidraad voor stedelijke vernieuwing’ stelt de VROM-raad dat bestuurders en beleidsmakers in het stedelijke vernieuwingsbeleid het persoonlijk perspectief voor het individu te veel uit het oog hebben verloren. De wens van bewoners om ‘vooruit’ te komen is ondergeschikt geraakt aan de verbetering van de fysieke kwaliteit van de wijk en zaken als sociale cohesie en leefbaarheid.

Jaarlijks worden vele miljoenen euro’s geïnvesteerd in de vernieuwing van stadswijken met een overwegend verouderde en goedkope woningvoorraad. Daarbij worden in de huidige praktijk twee invalshoeken gehanteerd: enerzijds de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van woningen en wijken en anderzijds de verbetering van de sociale kwaliteit van het samenleven in een wijk. Beide invalshoeken schieten tekort, zo is de conclusie van de VROM-raad. Er is te weinig aandacht voor wat bewoners dagelijks bezig houdt en zorgen baart: de zorgen om rond te komen en de ambities om vooruit te komen in het leven. Hierdoor worden volgens de raad maatschappelijke én economische kansen gemist. Steden bestaan immers bij de gratie van het aantrekken van kapitaal, en het belangrijkste kapitaal van de stad zijn nog altijd de mensen zelf.

De VROM-raad adviseert om in de stedelijke vernieuwing voortaan de wens van bewoners om vooruit te komen als uitgangspunt te nemen: ‘sociale stijging’. Daarbij gaat het er niet alleen om mensen te helpen bij de verwezenlijking van hun ambities en om eventuele belemmeringen weg te nemen. Ook moet de stedelijke vernieuwing erop worden gericht mensen die hun ambities – helemaal of ten dele – al hebben verwezenlijkt, voor de stad te behouden. De VROM-raad stelt vier maatregelen voor.

Investeer extra in onderwijs in stedelijke vernieuwingswijken

Onderwijs is voorwaarde voor sociale mobiliteit. Een gedegen opleiding biedt kansen om succesvol de stap naar de arbeidsmarkt te zetten. Het stedelijke vernieuwingsbeleid moet hiervoor de condities creëren. Gemeenten hebben de taak scholen (inclusief HAVO/VWO) over stadsdelen te spreiden en in oude stadswijken te behouden. Zij kunnen samen met de onderwijsinstellingen ruimte en middelen inzetten voor de ontwikkeling van brede scholen als bron van permanente educatie voor kinderen én ouders. Het moet de stapelingsmogelijkheden in het onderwijs herstellen. Overheden en onderwijsinstellingen moeten zorgdragen voor goede mentorbegeleiding en samen streven naar sociaal-economisch en etnisch gemengde scholen.

Maak extra ruimte voor de economie in de wijk

Stimulerende maatregelen op het gebied van werkgelegenheid helpen bewoners verder te komen. Stedelijke vernieuwing moet nieuwe ruimte scheppen om te ondernemen. Gemeenten, corporaties en ontwikkelaars dienen ondernemerschap op wijkniveau te stimuleren door goedkope bedrijfsruimte te behouden en te realiseren en door wonen met werken te mengen. Het Rijk moet de mogelijkheden voor ondersteuning en kredieten voor startende ondernemers te verruimen. Samen met de scholen en bedrijven moet aansluiting worden gezocht tussen bedrijfsopleidingen en bedrijven in de regio.

Maak kleine stappen op de woonladder mogelijk

Lang niet iedereen slaagt er in om een wooncarrière te maken. De stappen op de woonladder zijn daarvoor te groot. Gemeenten en corporaties moeten de woonladder met een aantal treden uitbreiden, zodat er voor stadsbewoners mogelijkheden zijn om door te stromen. Starterswoningen, tijdelijke woonvormen, woonzorgarrangementen en middeldure koopwoningen in stadswijken horen hier bij. Rijk, regio, gemeenten en corporaties moeten zich gezamenlijk richten op het vergroten van de keuzemogelijkheden voor lage inkomens op de regionale woningmarkt.

Maak meer ruimte voor sport, spel en cultuurvoorzieningen (‘meer stad in de wijk’)

Sport en cultuur vervullen een belangrijke rol in de ontplooiing van bewoners en in de ontmoeting van bevolkingsgroepen in de stad. Het stedelijke vernieuwingsbeleid kan hiervan de stimulator zijn. Gemeenten moeten in hun stedelijke vernieuwingsplannen voldoende ruimte voor sport- en spelvoorzieningen voor jong en oud creëren. Zij dienen niet alleen in aanleg te investeren, maar juist ook in onderhoud en beheer te voorzien van de openbare ruimte op lange termijn. Er moet aandacht zijn voor de kwaliteit en spreiding van culturele voorzieningen en voor ondersteuning van private initiatieven voor sporten cultuurvoorzieningen.

Publiciteit, reacties en doorwerking

Het advies ‘Stad en stijging’ is gepubliceerd op het moment dat de discussie over de toekomst van het stedelijke vernieuwingsbeleid en grotestedenbeleid volop wordt gevoerd. Het advies sluit aan op de reeks vele evaluaties en visies die eind 2006 zijn verschenen van het Sociaal en Cultureel Planbureau, Ruimtelijk Planbureau, de G4 en de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en VROM. Het advies neemt in het debat een eigen positie in door de keuze om het vooruitkomen van bewoners expliciet als vertrekpunt voor het toekomstige stedelijke vernieuwingsbeleid te kiezen.

Publiciteit

Er is veel belangstelling voor het gedachtegoed in dit advies (de oplage van 3.500 gedrukte exemplaren is geheel gedistribueerd). Het advies heeft aanzienlijke media-aandacht gekregen, zowel op het moment van publicatie (onder meer Financieel Dagblad, Parool, De Gelderlander en BNR) als op latere momenten (Eindhovens Dagblad in januari 2007).

In de vakwereld wordt intensief gedebatteerd over het advies. De verschillende kenniscentra rondom stedelijke vernieuwing en grote steden (KEI, XS-2 en KCGS) hebben veel ruchtbaarheid aan het advies gegeven. De raad ontvangt instemmende reacties uit de hoek van gemeenten, corporaties, adviesbureaus en maatschappelijke instellingen. De teneur van de reacties is: dit nieuwe perspectief van stedelijke vernieuwing is hard nodig, goed dat het door een onafhankelijke partij eens wordt gezegd. Esther Agricola (voormalig directeur van het KEI) schrijft in haar column ‘Een hele slimme zet’ (24 oktober 2006) dat het advies de gemoederen van de vakwereld gaat bezighouden: “Door het (oorspronkelijke) doel van de stedelijke vernieuwing opnieuw en glashelder te formuleren, wordt meteen duidelijk waarom partijen moeten samenwerken en welke eisen zij kunnen stellen aan het pakket van maatregelen, en aan elkaar.” Aedes onderschrijft in een persbericht het advies en de conclusies. De SER deelt in het ontwerpadvies ‘Lissabon in de wijk: het grotestedenbeleid in een nieuwe fase’ (maart 2007) de conclusie dat het vooruitkomen van bewoners het vertrekpunt moet vormen voor het stedelijke vernieuwingsbeleid. In de KEI-publicatie ‘N12 De nieuwe consensus over stedelijke vernieuwing’ wordt het advies als richtinggevend gezien. Regelmatig wordt in artikelen en nota’s een verwijzing naar het advies gemaakt.

Bijeenkomsten

Voor dit advies is veel vraag naar nazorg. Dat was al het geval voor de publicatie van het advies. Zo zijn er inleidingen gegeven op de congressen van Corpovenista (juni 2006) en de gemeente Breda (oktober 2006) en de expertmeeting van het ministerie van VROM (oktober 2006). Na publicatie van het advies heeft de raad inleidingen en workshops verzorgd op het jaarcongres van Aedes (november 2006), de VROM-praktijkdag ‘Kijk mijn wijk’ (november 2006), het bestuurlijk en ambtelijk overleg van de fysieke pijler van de G27 (december 2006 en februari 2007) en bij enkele gemeenten (Breda, Enschede, Amsterdam). In de vakbladen ROM, Vitale Stad, S&RO en Aedesmagazine heeft de VROM-raad artikelen gepubliceerd. Het advies was onderwerp van een rondetafelgesprek, georganiseerd door de raad in samenwerking met Building Business. Het verslag is in het februarinummer van Building Business verschenen. Ook in 2007 zullen nog enkele inleidingen op congressen worden verzorgd.

De raad heeft geparticipeerd in twee congressen. De expertmeeting ‘Stedelijke middenklasse’ (november 2006) is georganiseerd samen met het NIZW en NICIS. Het congres stond in teken van het advies en inleiding en voorzitterschap werden door vertegenwoordigers van de VROMraad verzorgd. Het NIROV organiseerde met de VROM-raad het nieuwjaarsdebat ‘Stad en stijging’ in januari 2007 voor een breed publiek. In het voorjaar 2007 is in samenwerking met het KEI en de Haagse Hogeschool een stadsdebat georganiseerd in Den Haag, waarin het stijgingsperspectief van bewoners van stedelijke vernieuwingswijken in Den Haag centraal staat.

Doorwerking

Het is nog onduidelijk hoe het advies doorwerking krijgt in het beleid van het ministerie van VROM. De kabinetsreactie moet nog verschijnen. Wel wordt het advies geciteerd in de nota ‘Steden van morgen, keuzes voor vandaag’ van het ministerie van BZK (oktober 2006) en de beleidsbrief van VROM aan de Tweede Kamer ‘Toekomst stedelijke vernieuwing’ (november 2006). Ambtelijk wordt in positieve termen over de inhoud gesproken, zo bleek uit de bijeenkomst (februari 2007) met beleidsmedewerkers van betrokken departementen. Aan de stedelijke vernieuwingskoers wordt invulling gegeven door de nieuwe minister van Wonen, Wijken en Integratie. Ook lokale partijen zullen daarin hun rol moeten bepalen. Het advies zet daarvoor een aantal lijnen uit, waarbij deze bewust niet tot in detail zijn uitgewerkt. Een aantal gemeenten heeft aangeven een plan te willen maken à la ‘stad en stijging’. De term ‘sociale stijging’ lijkt daarbij ingang te vinden in de stedelijke vernieuwing.