Buitenbeentjes en boegbeelden

Advies over megabedrijven in de Nederlandse land- en tuinbouw

Het Nederlandse megabedrijf in de land- en tuinbouw combineert de sterke kanten van het gezinsbedrijf met de voordelen van grootschaligheid. Desondanks zal met uitzondering van de glastuinbouw de onmiskenbare trend naar schaalvergroting in ons land niet leiden tot een brede ontwikkeling van dergelijke bedrijven.

Foto mega melkveehouderijbedrijf

Dat concludeert de Raad voor het Landelijk Gebied in zijn advies 'Buitenbeentjes en boegbeelden' dat op 6 april 2006 wordt aangeboden aan minister Veerman (LNV). De invloed die het landbouwbedrijf in al zijn verscheidenheid heeft op het landschap, de natuur, het water, de lucht of het dierwelzijn wordt vooral bepaald door de bedrijfsvoering en niet zozeer door het verschil tussen gezins- of megabedrijf. De raad adviseert het rijk en de provincies dan ook geen keuze te maken tussen óf het gezinsbedrijf óf het megabedrijf maar alle bedrijven ontwikkelingsruimte te bieden mits ze voldoen aan de randvoorwaarden van ruimtelijke ordening, milieu en natuur- en landschap.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft de Raad voor het Landelijk Gebied advies gevraagd over de te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot megabedrijven in de verschillende sectoren in de landbouw. Op verzoek van de minister heeft de raad vooral aandacht besteed aan het ondernemerschap, de bedrijfseconomische dimensie, de positie van de bedrijven in de keten en de gevolgen voor het landschap. De raad heeft het advies ‘Buitenbeentjes en boegbeelden’ op 6 april 2006 aangeboden aan minister Veerman.

De raad heeft 'megabedrijven' afgegrensd, als criterium is gekozen voor de economische omvang van de bedrijven. Deze wordt uitgedrukt in Nederlandse grootte-eenheden (nge), een maatstaf die gebaseerd is op het verschil tussen opbrengsten en bijbehorende specifieke kosten. De ondergrens van megabedrijven is gelegd bij 500 nge. Dit kwam in 2004 overeen met bijna zes maal de gemiddelde omvang van alle land- en tuinbouwbedrijven. Deze grens betekent ongeveer 340 ha in de akkerbouw, 3,5 ha in de glastuinbouw, 320 melkkoeien in de melkveehouderij, 12.500 vleesvarkens in de varkenshouderij en 160.000 legkippen in de legpluimveehouderij. Megabedrijven hebben, met uitzondering van de glastuinbouw, nog steeds een bescheiden aandeel in zowel het totale aantal agrarische bedrijven (1,6%) als in de totale productiecapaciteit (17%). De glastuinbouwsector is het meest grootschalig: het aandeel van de megabedrijven is er met 12% van het aantal en 44% van de productiecapaciteit veruit het hoogst van alle sectoren.

Het 'megabedrijf' en het 'gezinsbedrijf' zijn geen tegengestelden van elkaar. Met zijn economische omvang en betekenis vertoont het Nederlands megabedrijf alle kenmerken van het Nederlandse midden- en kleinbedrijf dat de sterke kanten van het gezins-/familiebedrijf en de voordelen van grootschaligheid met elkaar weet te combineren en te verwaarden. Ten opzichte van het gangbare gezinsbedrijf is het megabedrijf kansrijker, naarmate het productieproces beter beheersbaar en stuurbaar is, naarmate de te verrichten werkzaamheden minder seizoengebonden zijn en meer specialisatie in arbeidstaken mogelijk is. Betrekkelijk eenvoudige en routinematige werkzaamheden maken het werken met personeel van buiten het gezin gemakkelijker. De kosten van het aansturen van en toezicht houden op het personeel zijn dan betrekkelijk laag. Deze factoren verklaren dat vooral in de glastuinbouw met steeds meer jaarrondteelt een snelle ontwikkeling naar grote bedrijven zichtbaar is.

Het aandeel van megabedrijven in zowel omvang als aantal in Nederland neemt vermoedelijk toe, maar deze toename zal, met uitzondering van de glastuinbouw, zeer beperkt zijn. In de grondgebonden sectoren blijft de gezins- en familiestructuur dominant. Binnen de glastuinbouw verwacht de raad wel een verdere toename van megabedrijven. Het gaat hierbij vooral om bedrijven in de Greenports Westland, Oostland, Aalsmeer en omgeving, de zuidwest-as en elders in ons land waar concentraties van glastuinbouwvestigingen mogelijk zijn.

Gezien de verschillen in uitgangssituatie en in randvoorwaarden van het beleid verwacht de raad dat met name bij grondgebonden bedrijven ten noorden van de lijn Alkmaar-Zwolle, ten zuidwesten van de lijn Rotterdam-Breda en in de Flevopolders een aantal bedrijven tot megabedrijf zal uitgroeien. Ook in kleinschaliger landschappen is het mogelijk dat een aantal megabedrijven wordt ontwikkeld.

De invloed die het landbouwbedrijf in al zijn verscheidenheid heeft op het landschap, de natuur, het water, de lucht of het dierwelzijn komt niet zozeer voort uit het verschil tussen gezins- of megabedrijf maar wordt vooral bepaald door het verschil in bedrijfsvoering. De overheid moet dan ook geen keuze maken tussen óf het gezinsbedrijf óf het megabedrijf maar zowel het megabedrijf als de andere gezinsbedrijven naast elkaar ontwikkelingsmogelijkheden bieden.

De raad bepleit geen op megabedrijven gerichte aanvulling op het wettelijk en bestuurlijk instrumentarium. Het is vooral van belang hoe Rijk, provincies en gemeenten de randvoorwaarden op het gebied van ruimtelijke ordening, verkeer, milieu en natuur en landschap toepassen en hoe vervolgens de ruimtelijke en landschappelijke inpassing plaatsvindt. Bij het toepassen van die randvoorwaarden zal blijken dat de mogelijkheid van vestiging van een megabedrijf per gebied en per bedrijfstype verschilt. Terwijl het ene gebied goede vestigingsmogelijkheden biedt, zal in delen van een nationaal landschap of in andere gevoelige gebieden een megabedrijf vanwege zijn grote gebouwen en/of transportbewegingen niet gewenst zijn.

De vraagstukken die samenhangen met de vestiging van een of meerdere megabedrijven zullen qua omvang en complexiteit het lokaal niveau veelal overstijgen en vragen van overheden een zorgvuldige afweging van landschappelijke en ruimtelijke aspecten. Met het oog hierop is het gewenst dat de besluitvorming over het al dan niet toelaten van megabedrijven op regionaal niveau plaatsvindt met een belangrijke rol voor de provincie. De raad sluit hierbij aan op de mogelijkheid die provincies in de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) krijgen voor het stellen van algemene regels voor de plannen van lagere overheden en voor de opstelling van een structuurvisie ter invulling van het provinciale beleid.

Reactie

In zijn reactie spreekt de minister zijn waardering uit voor de kwaliteit van de analyse en voor de vergelijking tussen megabedrijven en gezinsbedrijven, die ook van waarde is bij de verdere uitwerking van de Nota Ruimte, Kiezen voor Landbouw en het Tweede Meerjarenprogramma van de Agenda voor een Vitaal Platteland. Ook is de minister van mening, dat de raad nader ingaat op een aantal belangrijke beleidsmatige ontwikkelingen rond megabedrijven. Het advies geeft goed zicht op ondernemers die deze bedrijven leiden.