Recht op groen (deel 1)

Advies over de groene kwaliteit van de openbare ruimte

Uit bezorgdheid om de groene kwaliteit van de openbare ruimte in en om de stad heeft de raad op eigen initiatief het adviesonderwerp 'Recht op groen' in zijn werkprogramma opgenomen. Er is een ongelijke verdeling van groene kwaliteit tussen en binnen verstedelijkte gebieden, resulterend in gebieden en wijken met groentekorten. In de verstedelijkte omgeving groeit de bebouwing sneller dan het groen. Het beleid in de Nota Ruimte zal deze scheefgroei verder versterken door de komende grote bouwopgaven en de terugtrekkende beweging van de rijksoverheid voor het onderdeel groen, tenzij afwegingen anders, namelijk veel bewuster en transparanter worden georganiseerd. De multifunctionaliteit van groen is bij besluitvorming over groene kwaliteit van de openbare ruimte weinig zichtbaar omdat denken en werken langs sectorale lijnen verloopt.

In de Meerjaren Ontwikkelingsprogramma's (MOP's uit Grote Stedenbeleid 2005-2009) worden de functies van groen: leefbaarheid, gezondheid, economie en natuur bijvoorbeeld onvoldoende (h)erkend. In geen van de dertig MOP's wordt een relatie gelegd tussen groen en economie; in slechts 20% van de MOP's wordt groen een rol toebedeeld ter bevordering van de gezondheid. In ook 20% van de MOP's wordt een relatie gelegd tussen groen en cultuur, wat vertaald kan worden in een bijdrage aan het domein leefbaarheid.

Uit bezorgdheid om de groene kwaliteit van de openbare ruimte in en om de stad heeft de raad op eigen initiatief het adviesonderwerp 'Recht op groen' in zijn werkprogramma opgenomen. Er is een ongelijke verdeling van groene kwaliteit tussen en binnen verstedelijkte gebieden, resulterend in gebieden en wijken met groentekorten. In de verstedelijkte omgeving groeit de bebouwing sneller dan het groen. Het beleid in de Nota Ruimte zal deze scheefgroei verder versterken door de komende grote bouwopgaven en de terugtrekkende beweging van de rijksoverheid voor het onderdeel groen, tenzij afwegingen anders, namelijk veel bewuster en transparanter worden georganiseerd.

De multifunctionaliteit van groen is bij besluitvorming over groene kwaliteit van de openbare ruimte weinig zichtbaar omdat denken en werken langs sectorale lijnen verloopt. In de Meerjaren Ontwikkelingsprogramma's (MOP's uit Grote Stedenbeleid 2005-2009) worden de functies van groen: leefbaarheid, gezondheid, economie en natuur bijvoorbeeld onvoldoende (h)erkend. In geen van de dertig MOP's wordt een relatie gelegd tussen groen en economie; in slechts 20% van de MOP's wordt groen een rol toebedeeld ter bevordering van de gezondheid. In ook 20% van de MOP's wordt een relatie gelegd tussen groen en cultuur, wat vertaald kan worden in een bijdrage aan het domein leefbaarheid.

Naar schatting vervult het groen in de stad (begraafplaats, bos, dagrecreatie gebied, natuurgebied, agrarisch gebied, park, plantsoen, sportvelden en volkstuin) op dit moment voor 40% een functie voor leefbaarheid, voor 25% voor gezondheid, voor 20% voor economie en voor 15% voor natuur.
Te weinig groene openbare ruimte betekent een minder goed sociaal leefklimaat, minder gezondheid, minder recreatiemogelijkheden, minder speelplekken voor kinderen, minder natuurbeleving, een minder goed economisch vestigingsklimaat, een lagere woningwaarde, minder toerisme en minder natuur in de stad. Gedeeltelijk kunnen deze behoeften ook op andere wijze dan via groene openbare ruimte vervuld worden. Maar de groene openbare ruimte vervult deze functies tegelijkertijd zodat de groene openbare ruimte een (financieel) efficiënte manier is om deze maatschappelijk gewenste doelen te bereiken.

Minder groene openbare ruimte betekent dat deze functies anders moeten worden gerealiseerd. Minder investeren in groen heeft financiële voordelen voor de gemeenten, projectontwikkelaars en eigenwoningbezitters. De nadelen zijn echter voor de doorsnee bewoner, zijn kinderen, het lokale bedrijfsleven en de huiseigenaar die zijn huis verkoopt. Bovendien vindt afwenteling plaats naar toekomstige generaties: besparingen nu leiden tot hogere uitgaven in de toekomst via beperkte duurzaamheid van woonwijken, gezondheidskosten en dergelijke. De benodigde groene kwaliteit komt niet vanzelf tot stand. Dat ligt niet aan het ontbreken van regelgeving of wettelijke mogelijkheden, maar aan de dilemma's waar partijen voor staan en de sectorale wijze van besluitvorming. Omdat de discussie over de betekenis van groene kwaliteit niet plaatsvindt, worden de afwegingen tussen groen en rood niet expliciet genoeg gemaakt.

Betere besluitvorming over groen is mogelijk indien gemeenten de sociale en economische betekenis van groene kwaliteit expliciet integreren in gemeentelijke raads- en collegeprogramma's over sociaal-economische ontwikkeling. De mate én onderlinge verhouding waarin groen zijn verschillende functies moet vervullen, worden daarin vastgelegd. De economische functie van groen kan bijvoorbeeld meer nadruk gaan krijgen dan de leefbaarheidsfunctie, met een andere ligging en inrichting van groen tot gevolg. Op dwingend verzoek van het Rijk zouden de gemeenten zelf expliciet moeten formuleren welke groene kwaliteit wordt nagestreefd, daarmee zelf verdere invulling gevend aan het 'richtgetal' in de Nota Ruimte van 75 m2 groen per woning. Afwegingen dienen bewuster en transparanter plaats te vinden waarbij onder meer de directe belangen van de gemeente in evenwicht komen met de belangen van andere actoren door bijvoorbeeld de inzet van onafhankelijke procesbegeleiders/mediators.

Ook andere aanpassingen van besluitvormingsprocessen (bredere functie commissie welstand, supervisoren, toegevoegde deskundigheid, ontkoppeling van grondeigendom en planvorming en participatie van eigenaren via een 'lokale ontwikkelmaatschappij') kunnen bijdragen aan een betere maatschappelijke benutting van de groene openbare ruimte. De rijks- en provinciale overheid kunnen hieraan een bijdrage leveren, onder meer door gemeenten in hun opdrachtgeverschap ondersteunen met onafhankelijke deskundigenteams, het instellen van een 'stimuleringspunt groene kwaliteit', verbindingen te leggen tussen Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) en Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) en het poneren van een 'recht op groen' voor elke burger.

Reactie en doorwerking

Op 24 juni 2005 heeft de Raad voor het Landelijk Gebied het advies 'Recht op groen' samen met het advies 'Tijd voor kwaliteit' aangeboden aan de ministers van LNV en VROM. Om de doorwerking van dit advies te bevorderen heeft de raad besloten een nazorgtraject in te zetten van een half jaar na de publicatie van het advies. Als start voor de discussie over groen en ruimtelijke kwaliteit organiseerde de raad gelijktijdig vier lunchbijeenkomsten in het land waarbij deze adviezen werden aangeboden en besproken met bestuurders, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties. Van juli tot en met december heeft de raad deze gesprekken met deze doelgroepen voortgezet met het doel om groen hoger op de agenda te krijgen. Deze gespreksronde wordt afgerond met een presentatie op de bestuurdersconferentie 'Groen in en om de stad' die op 1 februari 2006 zal plaatsvinden. Hierna brengt de raad nog een briefadvies uit aan de ministers van LNV en VROM over de aanbevelingen ten behoeve van de realisatie van groene kwaliteit. De raad heeft een dertigtal reacties op het advies ontvangen, zowel van gemeenten als van maatschappelijke actoren en individuele burgers. In een aantal gevallen is daarbij gewezen op omissies die betrekking hadden op ontbrekende aandacht voor binnentuinen en beheeraspecten van het groen. Het advies is tevens op twee landelijke bijeenkomsten gepresenteerd. De raad verwacht de reactie van de minister van LNV in de loop van 2006.