Milieu en de kunst van het goede leven

Advies voor de Toekomstagenda Milieu

In de ogen van de raad is het kernprobleem waar het milieubeleid op dit moment voor staat dat noch de burgers noch de politiek veel belangstelling lijken te hebben voor milieuvraagstukken terwijl burgers aangeven het oplossen van milieuproblemen wel degelijk belangrijk te vinden. Dit is zorgelijk omdat we te maken hebben met een aantal ernstige, en mogelijk onomkeerbare, milieuproblemen waarvoor nog geen afdoende aanpak in zicht is. Hoe kan in deze situatie het milieubeleid weer een nieuwe impuls krijgen? In de ogen van de raad is het zaak om veel meer aan te sluiten bij wat burgers beweegt. Daarvoor zou het accent moeten verschuiven van ‘milieu sec’ naar duurzame ontwikkeling.

De raad constateert namelijk dat aan de ene kant milieu ‘uit’ is terwijl aan de andere kant tal van duurzaamheidsinitiatieven worden ontplooid. Van duurzame ontwikkeling - maar dan concreet en tastbaar of voorstelbaar gemaakt - gaat een veel grotere stimulans en inspiratie uit dan van randvoorwaardenstellend milieubeleid. Mensen hebben meer affiniteit met termen die milieu-issues combineren met maatschappelijke en culturele issues dan met de afzonderlijke milieu-issues. Veel mensen zien milieu als een vanzelfsprekend onderdeel van het ‘goede leven’: een aantrekkelijke woon-werkomgeving, verantwoord geproduceerde streekproducten et cetera. Naar mening van de raad zou het beleid daar juist gebruik van moeten maken. In zijn advies werkt de raad dit verder uit. Daarbij vraagt de raad ook aandacht voor betere organisatorische randvoorwaarden op rijksniveau.

Om het milieu de aandacht te kunnen geven die het verdient, moet het milieubeleid beter aansluiten bij wat mensen beweegt. Milieu is voor mensen geen doel op zich maar een bijna vanzelfsprekend onderdeel van het ‘goede leven’. Het is een basale voorwaarde voor een gezond en veilig leven in een aangename leefomgeving. De overheid kan en moet veel meer meebewegen met deze ontwikkeling, onder meer door ondersteuning en stimulering van de vele duurzaamheidsinitiatieven die midden in de samenleving vorm krijgen.

Dat is de kern van het advies ‘Milieu en de kunst van het goede leven’ dat de VROM-raad op 25 oktober 2005 heeft overhandigd aan staatssecretaris Van Geel. Met dit advies wil de VROM-raad zijn steentje bijdragen aan het debat over de (re)vitalisering van het milieubeleid dat door het kabinet is aangezwengeld met het uitbrengen van de Hoofdlijnennotitie Toekomstagenda Milieu op 5 oktober 2005. De hoofdlijnennotitie is een voorbode van de Toekomstagenda Milieu, die naar verwachting in april 2006 uitkomt. Met deze toekomstagenda wil het kabinet ‘een nieuwe impuls geven aan het milieubeleid’. De visie en doelstellingen uit het NMP4 blijven daarbij gehandhaafd.

Kernprobleem milieubeleid

De raad onderschrijft de opvatting van het kabinet dat het milieubeleid nieuwe impulsen nodig heeft. Om zicht te krijgen op het type impuls dat het Nederlandse milieubeleid nodig heeft, analyseert de raad in het advies eerst globaal de achtergrond en oorzaken van de hardnekkigheid van de milieuproblemen.

In de ogen van de raad is het kernprobleem waar het milieubeleid voor staat dat de meeste politici en burgers momenteel een lage prioriteit toekennen aan de aanpak van milieuvraagstukken. Ze vinden zaken als veiligheid, integratie en sociale en economische zekerheid op dit moment urgenter dan milieu. Mede als gevolg van deze prioriteitstelling wil geen enkele partij actief het voortouw nemen bij de aanpak van de structurele problemen. De betrokken actoren lijken op elkaar te wachten. Het milieubeleid dreigt daardoor vast te lopen in een impasse. De VROM-raad vindt dit een zorgelijke ontwikkeling vooral omdat we te maken hebben met grote en mogelijk onomkeerbare milieuproblemen, waaronder klimaatverandering en grootschalig verlies van biodiversiteit. Tegelijkertijd realiseert de raad zich dat technische emissienormen, streefwaarden en tamelijk abstracte milieuthema’s zoals verzuring en biodiversiteit niet de meest inspirerende motivatie bieden om milieuproblemen aan te pakken.

De paradox als oplossing?!

De VROM-raad denkt dat een tweetal paradoxen aanknopingspunten biedt om een nieuwe impuls te geven aan het milieubeleid.

De eerste paradox is dat er in de samenleving tal van duurzaamheidsinitiatieven worden ontplooid, ondanks dat milieu ‘uit’ is. Burgers, milieuorganisaties, bedrijven en gemeen ten zoeken volop naar nieuwe samenwerkingsvormen om het duurzaamheidsconcept handen en voeten te geven. Deze initiatieven lopen uiteen van het planten van bomen tot het realiseren van een zero-emissionproductielijn en van de ontwikkeling van een deelautosysteem tot een abonnement op een tas met biologische groenten. Kenmerkend is dat al deze initiatieven zich niet alleen op ‘milieu’ richten, maar meer op de verbinding tussen milieu en sociaal-culturele issues zoals gezondheid, welzijn, fysieke veiligheid, natuur en kwaliteit van de leefomgeving. Milieuverbetering is geen doel op zich, maar slechts een middel om gewenste kwaliteitsbeelden rond het goede leven te realiseren. Mensen vinden milieu belangrijk en toch heeft het oplossen van de milieuvraagstukken een lage urgentie. Dat is de tweede paradox die aanknopingspunten biedt voor vernieuwing van het milieubeleid. Het feit dat milieu lager op de maatschappelijke agenda staat, betekent niet dat mensen milieu minder belangrijk vinden. Een aantal andere zaken is alleen urgenter geworden. Milieu lijkt last te hebben van het fenomeen dat treffend door Henry Kissinger is omschreven als: ‘the urgent drives out the important’. Het is zaak dat de politiek het milieuvraagstuk niet verwaarloost, ondanks de opkomst van vraagstukken, zoals veiligheid en sociale en economische zekerheid, waaraan burgers een hogere urgentie toekennen. Een goede milieukwaliteit en lage milieurisico’s zijn bepalend voor zaken als gezondheid en fysieke veiligheid. Gegeven het belang dat mensen aan deze zaken hechten, kan geconcludeerd worden dat de politiek gelegitimeerd is om de milieuproblemen aan te pakken.

Tegen deze achtergrond doet de raad in het advies een aantal concrete aanbevelingen om het milieubeleid nieuwe impulsen te geven.

Maak een wervende toekomstagenda gericht op duurzame ontwikkeling

Mits concreet en tastbaar gemaakt, kan van duurzame ontwikkeling meer inspiratie uitgaan dan van het probleemgestuurde en vaak erg ingewikkelde milieubeleid. Via duurzame ontwikkeling en het daaraan verbonden goede leven kan de brug naar de burgers worden geslagen. Tegen deze achtergrond stelt de raad voor dat het Ministerie van VROM zich in de toekomst sterker profi leert als Ministerie van Duurzaamheid in plaats van als Ministerie van Milieu. Deze omslag zou ook tot uiting moeten komen in de beleidsagenda door deze te verbreden naar uiteenlopende duurzaamheidthema’s.

Stimuleer en versterk duurzaamheidsinitiatieven van onderop

Vanuit die bredere beleidsagenda dient VROM de vele duurzaamheidsinitiatieven actiever te Adviezen 2005: Milieu en de kunst van het goede leven ondersteunen en te stimuleren, en wel vanuit een meer dienende dan sturende opstelling. De raad beveelt aan een aparte, laagdrempelige organisatie op te richten ter ondersteuning van duurzaamheidsinitiatieven die vanuit de samenleving zelf worden geïnitieerd. Deze organisatie kan ook een belangrijke bijdrage leveren aan de communicatie rondom deze initiatieven. Hiermee laat je ten eerste zien dat duurzaamheid in de maatschappij leeft. Ten tweede lok je discussies uit over de initiatieven en ten derde inspireer je anderen.

Onderzoek de mogelijkheden voor verdere decentralisatie

Om gemeenten, bedrijven en burgers nadrukkelijk te betrekken bij het milieubeleid, moeten zij wel op lokaal niveau zelf meer afwegingen kunnen maken. De raad pleit daarom voor het verkennen van de mogelijkheden voor verdergaande decentralisatie van het milieubeleid.

Maak de inspanningen en resultaten inzichtelijk en breed toegankelijk

De Nederlandse inspanningen en de bijbehorende resultaten op milieugebied kunnen veel meer aandacht krijgen in de communicatie met burgers en met name met jongeren. Het is daarbij van belang om realistisch en openhartig te communiceren in termen die de burger aanspreken. Er moet niet alleen aandacht worden besteed aan de succesverhalen, maar ook aan de mislukkingen en problemen.

Een verbrede milieu-agenda met een traditionele kern

Hoewel de raad pleit voor meer aandacht voor de burger, is hij van mening dat het meer traditionele milieubeleid de kern van het milieubeleid moet blijven. Dit beleid, dat zich met name richt op de internalisering van de milieukosten, moet vanzelfsprekend regelmatig onder de loep worden genomen en effi ciënter en slimmer worden gemaakt. Een verbreding van de milieuagenda doet daar niets aan af. Een bredere milieu- cq. duurzaamheidsagenda kan er echter wel voor zorgen dat meer wordt aangesloten bij zaken die mensen bewegen. Dat lijkt de belangrijkste stap die nodig is om het milieubeleid werkelijk een vernieuwende impuls te geven.

Publiciteit, reacties en doorwerking

Bij het uitkomen van het advies, heeft de pers vooral aandacht besteed aan de aanbeveling dat het Ministerie van VROM zich sterker zou moeten profileren als Ministerie van Duurzaamheid. Vanuit het milieuveld werd vooral instemmend gereageerd op de aanbeveling dat het milieubeleid meer moet aansluiten bij wat mensen beweegt en dat er meer aandacht moet komen voor bottom-upinitiatieven. Dit bleek onder meer uit de reacties op een samenvatting van het advies in het blad Milieu. Sommigen hadden alleen graag gezien dat de raad zelf een aantal integrale kwaliteitsbeelden in het advies had uitgewerkt om daarmee beter te kunnen aanhaken bij de belevingswereld van de burger.
Het CE gebruikt het advies indirect in de training Oefeningen in duurzame ontwikkeling voor beleidsmedewerkers van provincies. Aanbevelingen zoals decentrale beleidsontwikkeling en het zoeken naar integrale oplossingen worden gehanteerd als richtsnoer bij oefeningen rond het operationaliseren van duurzame ontwikkeling in de dagelijkse beleidspraktijk. Onderzoekers van Wageningen Universiteit - die door de raad waren gevraagd om een reactie te geven - vonden het een ‘prikkelend en stimulerend advies’. ‘Veel van wat in het advies geschreven wordt, is ons uit het hart gegrepen: zoeken naar draaipunten om vooral het nationale milieubeleid uit het slop te halen, meer aandacht voor de sociaal-culturele dimensie van het milieubeleid, beter aansluiten bij wat mensen als burger en als consument beweegt, en creatief nadenken over nieuwe beleidsinstrumenten richting ‘civilsociety- actoren’. [...] Het zijn ons inziens vooral de nationale politiek en ambtelijk VROM die zich langs de door de raad voorgestelde lijnen zouden moeten heroriënteren.’ Wat aan het advies ontbrak was volgens de onderzoekers vooral expliciete aandacht voor globalisering ‘als noodzakelijk vertrekpunt en sluitstuk van een nieuwe oriëntatie op het milieubeleid’.

Gelet op de reacties lijken er zich twee stromingen af te tekenen in het denken over het toekomstig milieubeleid: een stroming die een versterking en verzakelijking van het milieubeleid voorstaat – in feite de lijn die met de Toekomstagenda Milieu wordt gevolgd – en een stroming die vindt dat men daarin juist te ver is doorgeschoten. Vooral deze laatste groep lijkt zich in het advies te herkennen.

De raad heeft nog geen formele kabinetsreactie op het advies ontvangen. Het advies heeft een beperkte doorwerking op de Toekomstagenda Milieu gehad. De agenda bevat een korte passage waarin direct aan het advies wordt gerefereerd: ‘In lijn met het VROM-raad advies wil het kabinet, in nauw overleg met andere overheden, lokale initiatieven van burgers mogelijk maken. We richten ons op initiatieven die enthousiasme kunnen genereren over milieu en duurzame ontwikkeling en wanneer interessant, ook (door anderen) opgeschaald kunnen worden.’ Inmiddels wordt via een serie workshops met deskundigen nagegaan hoe duurzaamheidsinitiatieven uit de samenleving beter kunnen worden ondersteund. De directe aanleiding hiervoor was een brief van GreenWish16, gericht aan staatssecretaris Van Geel. GreenWish gaf daarin aan voorstander te zijn van het oprichten van een creatieve netwerkorganisatie voor het ondersteunen van duurzame initiatieven. Naar aanleiding van deze brief heeft het Ministerie de VROM-raad gevraagd een meer concrete uitwerking te geven aan deze aanbeveling. Met de geplande workshops gaat de raad in op dit verzoek, maar kiest daarbij niet de faciliterende organisatie maar de duurzaamheidsinitiatieven zelf als vertrekpunt voor de beoogde analyse en uitwerking. De raad zal medio 2007 verslag uitbrengen van de resultaten van de workshops aan staatssecretaris Van Geel.