Investeringsplan Waddenfonds

Advies aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

De Raad voor de Wadden is op 24 juni 2005 door de Minister van VROM gevraagd advies uit te brengen over het concept Investeringsplan Waddenfonds. In dit plan worden de hoofdlijnen voor investeringen en de wijze waarop de organisatie voor de uitvoering van het fonds vorm zal krijgen, geschetst.

Algemene uitgangspunten van het fonds

Met het kabinet is de Raad van oordeel dat extra investeringen in het Waddengebied noodzakelijk zijn. Het Waddenfonds zal die investeringen mogelijk moeten maken. Wel benadrukt de Raad dat het om additionele investeringen moet gaan naast de al bestaande reguliere geldstromen voor het gebied.

De Raad is het in principe eens met de voorgestelde gebiedsbegrenzing. Dit betekent dat investeringen uit het Waddenfonds direct of indirect op het Waddengebied betrekking moeten hebben. De Raad meent dat er voor de categorie duurzame economische ontwikkeling geen ruimere gebiedsbepaling dient te worden opgenomen. De continuïteit van het fonds moet gegarandeerd dient te worden. Een eventuele stopzetting of temporisering van de gaswinning in verband met de "hand aan de kraan" winningstrategie, mag deze continuïteit volgens de Raad niet in gevaar brengen.

Het kabinet heeft besloten het Waddenfonds op te zetten in de vorm van een rijksbegrotingsfonds. Volgens de Raad zal gewaarborgd moeten zijn dat het fonds niet deel zal gaan uitmaken van de begrotingen van het rijk, waaruit reguliere rijkstaken worden gefinancierd.
Bij het opstellen van het uitvoeringsplan en de beoordeling van ingediende projecten dient de regio (bestuurders, maatschappelijke organisaties enz.) een belangrijke rol te krijgen. Dit moet o.a. door het Regionaal Coördinatiecollege Waddengebied een zwaarwegende adviesrol te geven in de procedure.

In het concept Investeringsplan wordt een bepaalde verdeling van de middelen over vier verschillende categorieën van projecten gehanteerd (natuurherstel en -ontwikkeling, externe bedreigingen, duurzame economische ontwikkeling en kennishuishouding). De Raad meent dat de verdeling onvoldoende is onderbouwd en adviseert daarom een beleidsanalyse op te stellen die als onderbouwing van de verdeling van de middelen moet dienen.

Verder adviseert de Raad de Minister om ruimhartig om te gaan met de vereiste cofinanciering bij natuurprojecten. Voor deze categorie zal het immers veel moeilijker zijn om cofinanciering te krijgen dan bijvoorbeeld voor projecten binnen de categorie duurzame ontwikkeling.De eventuele exploitatie- en beheerskosten die voortvloeien uit investeringen vanuit het Waddenfonds moeten in principe uit andere (reguliere) middelen bekostigd worden.

Prioriteiten in investeringen; belangrijkste problemen en uitdagingen
Voor wat betreft de categorie natuurherstel en -ontwikkeling adviseert de Raad om een visie (en plan van aanpak) te ontwikkelen op de belangrijkste sturende factoren van het ecosysteem van de Waddenzee. De visie moet het mogelijk maken op een duidelijke manier tot prioritering van projecten te komen.

Voor investeringen in bedreigingen stelt de Raad zich op het standpunt dat dergelijke investeringen ook echt additioneel moeten zijn. Het is niet altijd even duidelijk of er sprake is van reguliere of van additionele investeringen die gepleegd moeten worden. Dit speelt vooral bij de categorie externe bedreigingen.

Geadviseerd wordt het begrip 'additioneel' in dit verband nader uit te werken. Volgens de Raad zullen in principe de bestrijding en preventie van bedreigingen die te maken hebben met gangbare toegestane activiteiten uit de reguliere middelen moeten worden betaald. In dit verband meent de Raad dat de nadeelcompensatie van de mechanische kokkelvisserij niet uit het Waddenfonds gefinancierd zou moeten worden.

Investeringen uit het Waddenfonds vanuit de duurzame economische invalshoek kunnen volgens de Raad gericht zijn op 1. verduurzaming van bestaande economische activiteiten (leidend tot vermindering van de huidige milieudruk op het gebied), 2. de ontwikkeling van nieuwe duurzame activiteiten (die dus geen extra belasting van het Waddenmilieu tot gevolg hebben) en 3. behoud en ontwikkeling van werkgelegenheid en leefbaarheid bij voorkeur via kleinschalige en gebiedseigen initiatieven. Daarbij adviseert de Raad onderscheid te maken tussen de Waddenzee en het Waddengebied wanneer het gaat om het prioriteren van investeringen. In het geval van het Waddengebied speelt ook werkgelegenheid als criterium voor financiering uit het fonds een rol.

Tenslotte heeft de Raad besloten over de categorie kennishuishouding een afzonderlijk advies uit te brengen. In dit advies benoemt de Raad de huidige knelpunten in de kennishuishouding, mogelijke oplossingsrichtingen hiervoor en de rol die een kennisplatform in de vorm van een Waddenacademie hierbij kan spelen.