Geen dijkbreuk, geen trendbreuk

Advies over Ruimte voor de Rivier PKB deel 1

De raad is positief over de dubbeldoelstelling van Ruimte voor de Rivier, maar kritisch over de uitwerking van de doelstelling voor ruimelijke kwaliteit in het PKB. De raad is ervan overtuigd dat - met behoud van de veiligheidsdoelstelling - ruimtelijke kwaliteit veel beter geborgd kan worden. Ruimtelijke kwaliteit dient in de eerste plaats een volwaardige plek in het maatregelenpakket te krijgen. In de tweede plaats dient de uitvoering dusdanig georganiseerd te worden dat borging van ruimtelijke kwaliteit wordt gegarandeerd.

De raad vindt een voortvarende aanpak van het rivierengebied van groot belang, maar pleit ook voor een dusdanig flexibele aanpak dat nieuwe inzichten, bijvoorbeeld over een nieuwe risico-benadering of over maatgevende afvoeren, kunnen worden meegenomen bij de selectie en realisatie van maatregelen.

De door het kabinet voorgestelde maatregelen om meer ruimte te geven aan de rivieren verbeteren de veiligheid in het rivierengebied. Daarmee voorkomen ze weliswaar een dijkbreuk, maar vormen ze nog niet de trendbreuk die de VROM-raad noodzakelijk acht bij de aanpak van het rivierengebied. Naast alle inspanningen om overstromingen te voorkomen, moet er meer aandacht komen voor de ruimtelijke kwaliteit van het unieke rivierenlandschap.

Dit schrijft de VROM-raad in zijn advies ‘Geen dijkbreuk, geen trendbreuk’ dat op 31 oktober 2005 werd aangeboden aan de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat. De publicatie van het eerste deel van de Planologische Kernbeslissing (PKB) ‘Ruimte voor de Rivier’ vormde de directe aanleiding voor de staatssecretaris om de VROMraad om advies te vragen. De staatssecretaris heeft het advies betrokken bij de vaststelling van deel 3 van deze PKB in november 2005.

Zorg voor ruimtelijke kwaliteit

De VROM-raad is positief over de dubbeldoelstelling in het beleid ten aanzien van het rivierengebied, waarbij tegelijkertijd wordt ingezet op verbetering van de veiligheid en ruimtelijke kwaliteit van het rivierengebied. De raad onderschrijft de wenselijkheid van een trendbreuk in het beleid door meer ruimte aan de rivier te geven om de veiligheid in het rivieren gebied te vergroten. Tegelijkertijd meent de raad dat ruimtelijke kwaliteit - met behoud van de veiligheidsdoelstelling - veel beter gewaarborgd moet worden. In de PKB wordt veiligheid gezien als een resultaatsverplichting, ruimtelijke kwaliteit als een inspanningsverplichting. Dit is niet alleen een gemiste kans. Het is ook onverstandig en onverantwoord, aangezien de voorgestelde maatregelen door hun omvang een blijvende impact zullen hebben op de ruimtelijke kwaliteit van een uniek rivierenlandschap in Europa. De land schappelijke, cultuurhistorische, ecologische, sociale en economische waarden van het gebied zijn dermate hoog dat de dubbeldoelstelling, ook in de uitvoeringsfase onverkort overeind moet blijven. Dit besef spreekt nauwelijks door uit deze PKB. De raad pleit daarom voor meer bezinning en bezieling op dit thema. Meer concreet pleit de raad voor een adequate borging van de kwaliteit in deel 3 van de PKB en in de nu volgende planvormings- en realisatiefase.

Ga voortvarend aan de slag maar blijf flexibel

De raad vindt een voortvarende aanpak van het rivierengebied van groot belang, maar pleit ook voor fl exibiliteit en integraliteit in de benaderingswijze. Gedurende de uitvoering van het plan moeten nieuwe inzichten kunnen worden meegenomen. Zo is het een gemis dat het maatregelpakket van de PKB is gebaseerd op een gedateerde kansenbenadering en dat meer actuele inzichten op basis van een risicobenadering genegeerd worden. Verder is het van belang dat er met enige flexibiliteit kan worden ingespeeld op voortschrijdende inzichten in klimaatsveranderingen en de te verwachten rivierafvoeren.
Gedurende de uitvoering moet tevens de samenhang met maatregelen elders in de stroomgebieden (in het buitenland en aan de kust) voortdurend in het oog worden gehouden. Het rivierengebied maakt immers deel uit van een groter watersysteem. De interdependentie tussen maatregelen bovenstrooms en benedenstrooms dient explicieter te worden meegenomen bij de selectie van de maatregelen. Ten slotte is de raad van mening dat een langetermijnvisie sturend moet zijn bij de selectie van kortetermijnmaatregelen. De kortetermijn maatregelen moeten passen in een strategisch en duurzaam langetermijnperspectief voor het gehele rivierensysteem. Krijgen we later geen spijt van deze maatregelen? Wordt goedkoop nu, geen duurkoop later?

Organiseer de uitvoering samen met anderen

De raad beveelt aan dat het Rijk de doelstellingen bewaakt én dat het Rijk de uitvoering samen met provincies, gemeenten en marktpartijen organiseert. Het actief betrekken en medeverantwoordelijk maken van andere partijen biedt meer perspectief op het realiseren van ruimtelijke kwaliteit. Juist op lokaal en regionaal niveau is er immers de nodige ervaring met het in balans brengen van veiligheidsdoelen en ecologische, economische, cultuurhistorische en sociale opgaven in het rivierengebied.

Publiciteit, reacties en doorwerking

‘Geen dijkbreuk, geen trendbreuk’ is in verschillende kranten en tijdschriften besproken. In alle artikelen wordt veel aandacht besteed aan de kritiek van de VROM-raad op het kabinetsbeleid ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit. ‘Ruimtelijke kwaliteit rond rivieren schiet tekort’ kopt het VNGmagazine bijvoorbeeld boven een kort artikel in de editie van 4 november 2005. ‘VROM-raad geeft boeren steun in de rug’, aldus het Agrarisch Dagblad op 1 november 2005. De landbouwkrant van Nederland is blij met het pleidooi voor meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit en de beheersrol die de raad daarbij ziet weggelegd voor boeren in het landelijk gebied. Het advies is volgens het Agrarisch Dagblad ‘een hart onder de riem voor veel actiecomités van boeren en burgers, die dezelfde mening hebben als de raad, maar zich niet gehoord voelen’.

Staatssecretaris Schultz van Haegen (V&W) reageerde tamelijk defensief op het advies. Mede namens de ministers van VROM en LNV stelt ze in haar brief van 12 maart 2006 dat ze zich niet kan vinden in ‘de opvatting dat de mogelijkheden om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren onvoldoende zijn benut’. Ze geeft daarbij aan dat het rijk, ook na de vaststelling van de PKB, de ruimtelijke kwaliteit op hoofdlijnen zal blijven toetsen. De gelegenheid daartoe ontstaat als de regio en het rijk zich gaan buigen over de uitwerking van het Nationaal en het Regionaal Ruimtelijk Kader per riviertak.

Ten aanzien van het pleidooi van de raad voor een andere veiligheidsbenadering stelt de staatssecretaris dat een nieuwe risicobenadering voor het rivierengebied ‘niet zomaar [is] doorgevoerd’. ‘In het kader van het traject WaterVeiligheid 21ste eeuw wordt de komende tijd een maatschappelijke discussie gevoerd over de gewenste veiligheidsbenadering in Nederland. Verwachting is dat de maatregelen van de PKB ook in het kader van een veranderende veiligheidsbenadering ‘no regret’ zullen zijn’.

Verder stelt de staatssecretaris dat de aanbevelingen van de raad om te kiezen voor robuuste maatregelen en een ontwikkelingspolitieke aanpak geheel in lijn zijn met het vigerende beleid. Zij beschouwt de maatregelen die het kabinet wil nemen als ‘een eerste stap om ook in de toekomst een robuust riviersysteem te realiseren’. De strategische beleidskeuze voor de lange termijn voor een afvoer van 18.000 m3/s bij Lobith past volgens de bewindsvrouw bij het beoogde geen-spijtbeleid. Ten slotte geeft het Ministerie volgens de staatssecretaris uitvoering aan een ontwikkelingspolitieke aanpak door ruimte te geven voor aan meekoppelende belangen in de planvormings- en realisatiefase. ‘Met behulp van de programmatische aanpak is flexibiliteit ingebouwd’, aldus de staatssecretaris.