Reactie Raad op advies Adviesgroep Waddenzeebeleid

In dit advies reageert de Raad op het rapport van de Adviesgroep Waddenzeebeleid en geeft hij zijn standpunt over gaswinning onder de Waddenzee.
De Raad meent dat het door de Adviesgroep voorgestane cascademodel nog niet operationeel kan worden, omdat de totale natuurgebruiksruimte en de daaruit voortvloeiende grenswaarden voor activiteiten op basis van de huidige stand van de wetenschap (nog) niet gekwantificeerd kunnen worden. Gewaarschuwd wordt voor het risico dat in deze situatie alle reeds bestaande activiteiten gecontinueerd zullen worden, terwijl gelijkertijd nieuwe activiteiten alvast gestart mogen worden.
Anders dan de Adviesgroep meent de Raad dat de mechanische kokkelvisserij in zijn huidige vorm beëindigd moet worden (op basis van hiervoor genoemd advies Duurzaam duurt het langst - II) en derhalve geen transitieperiode te gunnen. De mosselsector dient echter een transitieperiode van 10 à 15 jaar voor verduurzaming te worden gegund, waar de Adviesgroep 7 jaar bepleit.
Verder adviseert de Raad, net als de Adviesgroep, om gaswinning in beginsel onder strikte voorwaarden toe te staan. Over de bestuurlijke organisatie in het gebied zal de Raad in 2005 adviseren. De Raad is verder voorstander van verdere duurzame investeringen in het Waddengebied. Daarbij zullen het Sociaal Economisch Ontwikkelingsperspectief Waddengebied (SEOW) en de uitkomsten van het trilaterale Wadden Sea Forum moeten worden betrokken. De Raad waarschuwt echter nu al dat de inzet van deze extra middelen niet ten koste mag gaan van de reguliere middelen.

Samenvatting standpunt gaswinning (bijlage bij dit advies)

Als onderdeel van zijn reactie op het advies van de Adviesgroep Waddenzeebeleid (AGW) heeft de Raad zijn standpunt bepaald over de toelaat­baarheid van de gaswinning vanaf Paesens-Moddergat en Lauwersoog op basis van beoordeling van de verwachte ecologische effecten. Concreet betekent dit dat de Raad over andere onderdelen van de to­tale besluitvorming, zoals ethische, economische en energie-politieke overwegingen geen  standpunt inneemt, maar volstaat met de opmerking dat genoemde overwegingen wel van belang zijn, en in de uiteindelijke besluitvorming in het kabinet en de Tweede Kamer wel zullen worden meegenomen.

De effecten op de structuur en processen zijn beoordeeld in het licht van de hoofddoelstelling voor de Waddenzee zoals nader geconcretiseerd in artikel 6 van de Habi­tatrichtlijn en in trilaterale afspra­ken. Met betrekking tot verwachte effecten is de toelaatbaarheid, waar nodig in samenhang met te treffen maatregelen, beoordeeld. Tegelij­kertijd is nagegaan of er vermoede of onbekende effecten kunnen op­treden en of deze van zodanige aard zijn dat het voorzorgsbeginsel van toepassing moet worden geacht. De beoordeling vindt plaats per ha­bitattype waarvoor de Waddenzee als beschermd gebied onder de Ha­bitatrichtlijn is aangemeld. De beoordeling van de effecten per habitattype is als volgt opgezet:

  1. is er sprake van aantasting van een prioritair habitattype, dan kan winning niet worden toegestaan, tenzij er sprake is van dwingende redenen van openbaar belang;
  2. is er sprake van (mogelijke) aan­tasting van de overige habitattypen, dan is afhankelijk van de aard en omvang van de schade, winning niet toelaatbaar, tenzij (in het kader van toepassing van het voorzorgsbeginsel) pas­sende maatregelen kunnen wor­den getroffen of er sprake is van dwingende redenen van open­baar belang;
  3. is er geen sprake van aantasting, dan kan winning wat betreft de ecologische overwegingen worden toegestaan.

De effecten van bodemdaling op het "zo ongestoord en natuurlijk mogelijk verlopen van (bodem) fysische processen" vormt een tweede in­valshoek voor toetsing.

De Raad stelt dat de snelheid van bodemdaling, en dus van winning, onder een bepaald maximum moet blijven en dat moet zijn aangetoond dat het tempo van bodemdaling bij gaswinning adequaat is te reguleren door het aansturen van de snelheid waarmee het gas wordt gewonnen. De bevoegdheid om in te grijpen in de winningssnelheid moet in handen worden gegeven van een onafhankelijke commissie, die ook belangrijke zeggenschap moet krijgen in het opstellen van het monitoringprogramma. Indien vooraf bepaalde grenswaarden worden overschreden, zal deze commissie de winning zonodig onmiddellijk moeten kunnen stopzetten.

De Raad stelt verder dat de bodemfysische effecten, met inachtneming van het hiervoor gestelde, acceptabel zijn, omdat zij niet de aard van de processen in de Waddenzee ver­storen en bovendien van tijdelijke aard zijn.

Wat betreft de effecten van gaswin­ning op de kwelders en schorren neemt de Raad het standpunt in dat ter plaatse van kwelders en schorren per saldo geen ecologische effecten worden verwacht die een beletsel vormen voor gaswinning, indien wordt voldaan aan:

  • de randvoorwaarden die in het voorgaande zijn geformuleerd met betrekking tot de snelheid en beheersbaarheid van de bodemdaling;
  • compensatie van het (tijdelijke) verlies aan oppervlakte kwelders plaatsvindt, door elders verkwel­dering mogelijk te maken, onder andere door daar waar mogelijk zomerpolders te ontpolderen.

De Raad is van mening dat gaswin­ning tijdelijk en in beperkte mate negatieve invloeden zal hebben op droogvallende platen. Daarom kan gaswinning alleen mogelijk zijn on­der strikte voorwaarden met betrek­king tot het tijdelijke karakter en de totale omvang (grenswaarden) van de negatieve effecten. Beide aspec­ten moeten in (de actualisatie van) de MER zowel op het schaalniveau van het kombergingsgebied waarin de bodemdaling plaats heeft, als ook op het schaalniveau van de Wadden­zee worden beoordeeld. Daarbij moet acht worden geslagen op een eventuele cumulatie van effecten als gevolg van verschillende winningen.
Compensatie van de effecten vereist specifieke aandacht.
De effecten van bodemdaling op het sublitoraal liggen in het verlengde van de hiervoor beschreven effecten op de droogvallende platen, met uitzondering van de effecten op de foerageermogelijkheden voor vogels. Op basis hiervan stelt de Raad dat indien wordt voldaan aan de randvoorwaarden voor droogvallende platen ook voldoende bescherming wordt geboden aan de sublitorale ecologische waarden.

De Raad is van mening dat de toe­laatbaarheid van nieuwe initiatieven op basis van ecologische criteria op soortgelijke wijze als in de voor­gaande hoofdstukken is gehanteerd, kan worden beoordeeld. Extra rand­voorwaarde daarbij is dat de borin­gen niet in de Waddenzee plaats­hebben, en dat de extra criteria waaraan met name het boren moet worden getoetst (zoals licht-, zicht- en geluidhinder) in de beoordeling worden meegenomen.
De Raad merkt op dat een zorgvul­dige en volledige afweging met betrekking tot gevoelige besluiten rond activiteiten in de Waddenzee zeer wenselijk is en stelt daarbij vast dat de besluitvorming rond nieuwe exploratie- en winningsactiviteiten een onderwerp is dat zou kunnen dienen als pilotproject waarin ten behoeve van de besluitvorming een kosten-batenanalyse wordt uitge­voerd voor alle gebruikswaarden en niet-gebruikswaarden. Hiermee kan het kabinet invulling geven aan de toezegging om de bruikbaarheid van dergelijke methoden voor het Nederlandse beleid na te gaan.