Energietransitie: klimaat voor nieuwe kansen

Gezamenlijk advies van de VROM-raad en de Algemene Energieraad

De huidige energiehuishouding is niet duurzaam. In dit advies worden de grootste uitdagingen samengevat. De grootste problemen spelen op mondiale schaal. Oplossing ervan kan ook alleen internationaal gebeuren. Nederland draagt immers minder dan 1% bij aan de wereldenergieconsumptie. Het oplossen van de problemen vergt een ingrijpende verandering van ons energiesysteem, een transitie naar een duurzame energiehuishouding. Realisatie van een duurzame energiehuishouding zal aanmerkelijke kosten met zich meebrengen.

Nederland doet er verstandig aan zich niet uitsluitend op beperking van deze kosten te richten, maar ook op de kansen die de energietransitie biedt. Nederland moet ernaar streven de baten van investeringen in deze systeemvernieuwing, in de vorm van nieuwe bedrijvigheid en werkgelegenheid, tenminste deels, naar zich toe te halen. De noodzaak van een stevige bijdrage van ons land aan de energietransitie is, volgens de raden, niet alleen gelegen in de verantwoordelijkheid die wij moeten nemen voor het oplossen van de mondiale problemen die wij met onze energieconsumptie veroorzaken, maar ook in de kansen die het realiseren van oplossingen biedt voor de Nederlandse samenleving. Tot op heden is dit te weinig voor het voetlicht gebracht. Voor de vormgeving van het transitiebeleid moet inzicht bestaan in factoren die de energietransitie belemmeren. Ook moet lering worden getrokken uit in het verleden nagestreefde veranderingen in onze energiehuishouding. Daarnaast moet aansluiting worden gezocht bij beleidsontwikkelingen op internationaal niveau, en gebruik worden gemaakt van nieuwe wetenschappelijke inzichten op het gebied van transitiemanagement. In het advies gaan de raden op deze punten in. De raden zijn van mening dat de vormgeving van de energietransitie een twee-sporenstrategie vergt, te weten een internationaal spoor en een nationaal spoor. De beschrijving en uitwerking van de twee-sporenstrategie vormt de kern van dit advies. Tevens worden aanbevelingen voor het te voeren energietransitiebeleid gegeven. De aanbevelingen zijn gebundeld in een tiental hoofdaanbevelingen die aan het eind van deze samenvatting worden gegeven. Met dit advies geven de raden antwoord op het verzoek van de minister van Economische Zaken en de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer om te adviseren over de rol van de overheid bij het realiseren van de noodzakelijke systeeminnovaties op het gebied van onze energiehuishouding.

Aanleiding

In het vierde Nationale Milieubeleidsplan (NMP4) heeft de Nederlandse regering nieuw ‘transitiebeleid’ aangekondigd voor het realiseren van noodzakelijke systeemveranderingen om hardnekkige milieuproblemen, zoals het klimaatprobleem, te lijf te gaan. Eén van de voorgenomen transities heeft betrekking op de energiehuishouding. Het ministerie van Economische Zaken is trekker van deze transitie en heeft de afgelopen paar jaar een start hiermee gemaakt. Het ministerie van VROM heeft een coördinerende rol bij de verschillende transities. Voor dit advies hebben de Algemene Energieraad en de VROM-raad een gezamenlijke adviesaanvraag ontvangen van de minister van EZ en de staatssecretaris van VROM. In deze adviesaanvraag stonden vragen over de rol van de overheid en mogelijkheden voor internationale samenwerking centraal.

Inhoud advies

De mondiale energiehuishouding is niet duurzaam. De raden achten dit één van de meest wezenlijke bedreigingen van de mensheid. Onduurzame elementen zijn met name de klimaatproblematiek en de toenemende afhankelijkheid van olie en gas uit politiek instabiele regio’s. De doelstelling van de energietransitie is om het energiesysteem in de komende decennia om te bouwen naar een duurzame energiehuishouding. De urgentie om deze problemen voortvarend aan te pakken, wordt door beleidsmakers nog onvoldoende onderkend. Omdat de ombouw van ons energiesysteem complex is en decennia zal duren, is nu al een krachtig beleid nodig om tijdig de gewenste transitie tot stand te brengen. De overheid is de enige partij die leiding kan geven aan een dergelijk veranderingsproces.

Alleen een transitie op wereldschaal kan een antwoord zijn op de problemen met het huidige energiesysteem. Hiervoor is een versterkte internationale samenwerking essentieel. Samenwerking is nodig om een mondiale markt voor duurzame energiesystemen te creëren en om duurzame energiesystemen te ontwikkelen. Bij de ontwikkeling van dit soort systemen zou, meer dan nu, sprake moeten zijn van arbeidsdeling tussen landen, gebaseerd op comparatieve voordelen van ieder land afzonderlijk. Nederland moet daarom bevorderen dat de internationale gemeenschap de nodige stappen gaat zetten, maar ook zelf met kracht aan oplossingen werken die aansluiten bij de specifieke Nederlandse situatie en bij de kansen die de energietransitie voor onze economie biedt. De raden adviseren daarom een tweesporen beleid bestaande uit een internationaal spoor en een nationaal spoor waarmee Nederland zich schaart in de Europese kopgroep. Deze sporen moeten elkaar versterken.

De sleutel tot een succesvolle transitie is innovatie. Op wereldschaal staan hiervoor diverse opties ter beschikking: van efficiencyverbetering, hernieuwbare energiebronnen, schone energiedragers, gebruik van fossiele brandstoffen met CO2-afvang en opslag, tot veiligere en schonere vormen van kernenergie, inclusief kernfusie. Het zal niet een enkele, maar een combinatie van vele technologische oplossingen zijn die tot een duurzame energiehuishouding moet leiden. Niet alle opties kunnen en moeten in elk land in gelijke mate worden ontwikkeld. De uitdaging is om ons talent en onze middelen op een voor Nederland optimale manier in te zetten. Dit betekent dat Nederland een beperkt aantal speerpunten moet kiezen. De raden hebben criteria ontwikkeld om deze scherpe keuzes te maken. Wij zullen ons bij uitstek moeten richten op opties waarmee ons bedrijfsleven een vooraanstaande positie op de (wereld)markt kan verwerven.

Het decennialange proces van succesvolle innovatie naar een duurzame energievoorziening vraagt een langetermijnvisie en commitment. Ook vraagt het om een consistent en vertrouwenwekkend overheidsbeleid, dat niet te veel wordt beïnvloed door de zich wijzigende politieke kortetermijn-opvattingen en door de conjuncturele schommelingen. Niets is zo funest voor het investeringsklimaat voor langetermijninnovaties als voortdurende veranderingen van stimuleringsmaatregelen en regels. Dit vraagt om aanpassing van de teveel op de korte termijn gerichte politieke cultuur bij het omgaan met dit soort veranderingsprocessen.

Het ministerie van Economische Zaken heeft een goede start gemaakt met de transitie naar een duurzame energiehuishouding, maar die aanpak moet worden verbeterd en geïntensiveerd. De verduurzaming van de energiehuishouding moet veel meer doorwerken in andere beleidsterreinen zoals wonen, verkeer en vervoer en land- en tuinbouw.

De belangrijkste aanbevelingen, die de raden hebben geformuleerd om het transitieproces een extra impuls te geven, zijn:

  • Sense of urgency’. De politiek moet het thema ‘duurzame energiehuishouding’ een hoge prioriteit op de politieke agenda geven. 
  • Leiderschap en cultuur. De minister van Economische Zaken moet fungeren als coördinerend bewindspersoon die leiding geeft en het proces regisseert. Voor de aansturing van het proces moet een ‘Energietransitiecommissie’ worden ingesteld, waarin betrokken actoren op het hoogste niveau zijn vertegenwoordigd. 
  • De internationale dimensie. Nauwere samenwerking met gelijkgestemde EU landen om transitie nadrukkelijker op de Europese agenda te krijgen en via Europa meer invloed uit te oefenen op wereldniveau moet gestalte krijgen. 
  • Krachtig energiebesparingsbeleid. Voor Nederland moet het jaarlijkse besparingsniveau weer op twee procent worden gebracht. 
  • Focus bij de innovatie. Nederland moet scherpere keuzes maken voor speerpunten van technologie-ontwikkeling en ook – per technologie – nagaan in welk deel van het hele traject van onderzoek tot marktintroductie het beste kan worden geïnvesteerd.
  • Consistentie. Een langetermijnplan is vereist met een daarbij behorend langetermijnfinancieringssysteem zodat commitment, consistentie en continuïteit over langere periodes gewaarborgd zijn.

Reactie en doorwerking

Het advies is op 6 december 2004 aan de minister van Economische Zaken en de staatssecretaris van VROM gepresenteerd. Hierbij kwam weer de spanning naar voren tussen het leveren van een advies gericht op de (middel)lange termijn en de wens van de bewindslieden om dit naar hele korte termijnacties – zoals het kiezen van concrete technologische speerpunten – te vertalen. Met de bewindslieden is afgesproken dat de raden het advies begin 2005 verder op departementaal niveau zullen toelichten. Pas in de loop van 2005 wordt een schriftelijke kabinetsreactie verwacht.

Publiciteit

In diverse dag- en vakbladen zijn interviews met voorzitters en werkgroepvoorzitters verschenen. In het tv-programma ‘Buitenhof’ is de heer Turkenburg met kamerlid Paul de Krom over het advies in debat gegaan. Het accent in de publiciteit lag sterk op het kiezen van kansrijke opties voor Nederland en de benodigde financiële middelen voor het transitietraject. Begin 2005 zullen nog enkele artikelen in vakbladen verschijnen.