Omgaan met overmaat

De vermogens van de woningcorporaties als sturingsopgave

De belangstelling voor de vermogenspositie van de woningcorporaties neemt snel toe. Dit geldt te meer voor dat deel van het vermogen dat uitgaat boven het minimaal noodzakelijke weerstandsvermogen van de woningcorporaties. Deze zogeheten ‘overmaat’ is door het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) vastgesteld op € 10 miljard in 2002. Inmiddels is dit bedrag al één van de kengetallen in de discussie over het woonbeleid. Deze overmaat leidt tot allerlei vragen. Zijn deze miljarden wel echt beschikbaar en, indien dit niet het geval is, zijn ze wel beschikbaar te maken? Wie gaat er over deze miljarden? Hoe worden ze besteed? Los hiervan vraagt ook de verdeling van de vermogens over de woningcorporaties om aandacht. Sommige corporaties kennen een hoge overmaat, andere kennen geen overmaat. Mogelijk is de overmaat zodanig verdeeld dat sommige corporaties te arm zijn om de opgave waar zij voor staan, uit te voeren. Mogelijk kunnen alle corporaties de eigen opgave wel financieren. Hoe het ook zij, in beide gevallen ligt de vraag voor hoe met corporatievermogens om te gaan in relatie tot de opgave waarvoor zij staan.

De belangstelling voor de vermogenspositie van de woningcorporaties neemt ook toe omdat de middelen van de rijksoverheid beperkt zijn en naar het zich laat aanzien, ook in de komende jaren zeer beperkt zullen blijven. Het is dan niet meer dan logisch dat bij optredende stagnatie bij een belangrijk beleidsonderdeel als de stedelijke herstructurering gezocht wordt naar nieuwe wegen om meer voortgang te maken.

Aanleiding

In het advies ‘Haasten en onthaasten in de stedelijke herstructurering’ heeft de raad geadviseerd een Investerings Maatschappij Stedelijke Vernieuwing op te richten teneinde de potentie van de opgebouwde vermogens van de woningcorporaties in Nederland te benutten voor de aanpak van de stedelijke herstructurering. Op dit onderdeel van het advies heeft de raad veel reacties ontvangen. In de Tweede Kamer vond in november 2002 een debat plaats over de stedelijke herstructurering en de Minister werd bij motie verzocht “de corporaties op te roepen om binnen zes maanden met sluitende voorstellen te komen om de vermogensoverschotten via verevening te activeren voor de volkshuisvestingsopgave”.
Dit heeft de raad ertoe gebracht een vervolg-advies op te stellen waarin de gedachten van de raad over het vraagstuk van matching van taken en middelen in de corporatiesector nader worden uitgewerkt. Op verzoek van de raad heeft dr. J.B.S. Conijn (RIGO Research en Advies) een analyse gemaakt van initiatieven van matching. Deze analyse is als bijlage bij het advies gevoegd.

Inhoud advies

Het advies is op 5 september 2003 aan minister Dekker uitgebracht en ook aangeboden aan de leden van de Vaste Kamercommissie van VROM. In het advies wordt ingegaan op de positie van de woningcorporaties en de noodzaak van matching. Ook wordt de rol van diverse instituties en de kracht van verschillende initiatieven van matching door de raad gewogen. Daarna formuleert de raad criteria en contouren van een Investerings Maatschappij Stedelijke Vernieuwing, als een nadere illustratie van hoe matching beslag zou kunnen krijgen.

De raad beklemtoont dat de overheid een verantwoordelijkheid heeft voor het wonen. Deze verantwoordelijkheid maakt het mogelijk dat de rijksoverheid doelen stelt aan de inzet van het vermogen van de woningcorporaties. Woningcorporaties zijn immers geen puur private instellingen. Er is een wettelijke plicht dat het vermogen wordt aangewend in het belang van de volkshuisvesting.

Over de vermogens van de woningcorporaties is veel discussie. Veel corporaties hebben meer vermogen dan noodzakelijk is. Dit wordt ‘overmaat’ genoemd. De vraag is hoe deze middelen ingezet kunnen worden in de stedelijke herstructurering. Voor de vervulling van de taken van corporaties is ook aan de orde hoe rijke corporaties financieel kunnen bijdragen aan het oplossen van de problemen van arme corporaties. Het samenbrengen van taken en financiële middelen in de corporatiesector wordt matching genoemd.

De corporatiesector ontplooit diverse initiatieven om matching te stimuleren (bijvoorbeeld collegiale financiering, matchingsmarkt, garantiefonds stedelijke vernieuwing). De raad staat sympathiek tegenover deze initiatieven. Ze zijn echter nog te vrijblijvend en houden te weinig rekening met de publieke verantwoordelijkheid van de overheid.

In het voorstel van de raad verkrijgt de Investerings Maatschappij financiële middelen via een heffing op de vermogens van woningcorporaties. Deze middelen worden besteed aan ondersteuning van investeringen in door de Minister aangewezen prioriteitswijken. Woningcorporaties die een verplichting aangaan in de herstructureringsopgave binnen de prioriteitswijken kunnen van de heffing worden vrijgesteld. Dit zijn corporaties met of zonder bezit in deze wijken. Zo wordt een markt van onderlinge hulp bevorderd. De middelen worden alleen besteed aan hulp voor investeringen in woningen en de woonomgeving. Het geld komt immers uit de corporatiesector en moet ook besteed worden binnen de bestemmingsplicht van dit vermogen.

Als corporaties méér gaan investeren in de wijken, dan moet de overheid dat voor andere kostenposten in dezelfde wijken ook doen. Het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing dat door de rijksoverheid aan gemeenten ter beschikking wordt gesteld, helpt hierbij. Matchen is dus niet gratis voor de overheid. De raad acht daarom mogelijke bezuinigingen op het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing ongewenst.

Reactie en doorwerking

De reacties van organisaties op het advies zijn uiteenlopend. In de corporatiesector zijn er individuele corporaties die menen dat de overheid een actieve rol moet spelen bij matching en dat het voorstel van de raad hier een mogelijke invulling voor biedt, er zijn ook corporaties die sterk bepleiten de matching van taken en middelen in eigen kring te regelen. Dit laatste is ook de lijn van Aedes, de brancheorganisatie van woningcorporaties.
Van gemeentelijke overheden en van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten zijn commentaren ontvangen, waarin het advies ondersteund wordt. In brieven aan de Tweede Kamer en de Minister vroegen zij de nationale overheid concrete invulling te geven aan matching en het advies van de raad te benutten.

Met de Minister is in oktober 2003 een gesprek gevoerd over het advies. In november 2003 heeft zij aan de Tweede Kamer een brief gestuurd over de herstructureringsopgave en de 56 prioriteitswijken. In deze brief reageert de Minister op het advies met de zinssnede dat zij de analyse van de raad over de huidige situatie deelt. Zij geeft echter de voorkeur aan een beleid waarin zij als Minister corporaties met forse overmaat van vermogen apart en individueel aanspreekt op een actieve inzet van hun middelen voor de maatschappelijke taken. Projectsteun en aanwijzing ziet ze als laatste mogelijkheid. Aan de Tweede Kamer heeft zij laten weten in april 2004 terug te komen op de voortgang van matching.Mocht er dan onvoldoende voortgang zijn, dan wil de Minister corporaties die in gebreke blijven, een aanwijzing geven.

Publiciteit

Op een landelijk congres over woningcorporaties (1 oktober 2003) stond het advies centraal in het debat. Tijdens het adviestraject zijn centrale gedachten van de raad gepresenteerd op een congres van de Vereniging van Toezichthouders in de Corporatiesector en een bijeenkomst van directeuren van Brabantse woningcorporaties. Eén week voor de behandeling van de begroting van VROM organiseerde de Vaste Kamercommissie voor VROM van de Tweede Kamer een hoorzitting over matching van taken en middelen in de corporatiesector en het advies van de raad. In deze hoorzitting is het advies gepresenteerd en bediscussieerd.