Dagindeling geordend?

In dit advies geeft de Raad zijn oordeel over het hoofdstuk Dagindeling uit de Meerjarennota Emancipatiebeleid. De kernvraag daarbij is in hoeverre en op welke wijze via ingrepen in de ruimtelijke orde kan worden bijgedragen aan een noodzakelijke of zelfs optimale afstemming van verschillende maatschappelijke en private activiteiten.

Op 11 mei 2000 hebben de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Raad gevraagd te adviseren over het hoofdstuk Dagindeling uit de Meerjarennota Emancipatiebeleid ‘Van Vrouwenstrijd naar vanzelfsprekendheid’ en de bijbehorende achtergrondverkenning.

De kern van de adviesaanvraag richt zich op de vraag in hoeverre en op welke wijze via ingrepen in de ruimtelijke orde kan worden bijgedragen aan een noodzakelijke of zelfs optimale afstemming van verschillende maatschappelijke en private activiteiten. Meer in detail gaat het hierbij om de volgende vragen:

  • Welke invloed zal de dagindeling, daarbij rekening houdend met verschillen in levensfasen, huishoudenssamenstelling en etnische en culturele verschillen, voor de komende 10 jaar hebben op de beleidsterreinen van VROM?
  • Welke mogelijkheden ziet de VROM-raad voor een macrobenadering van het vraagstuk dagindeling? Welke rol spelen de overheid en andere factoren daarbij?
  • Hoe kan de ruimtelijke inrichting van ons land worden afgestemd op de (veranderende) behoeften en wensen die voortkomen uit het combineren van arbeid en zorg, daarbij rekening houdend met verschillen in levensfasen, huishoudenssamenstelling en etnische en culturele verschillen?
  • Deelt de VROM-raad de analyse en aanbevelingen in de verkenning ‘Van taak tot zaak’ (bijlage bij de Nota) en hoe kan dit worden omgezet in beleid?
  • Geeft de Meerjarennota Emancipatiebeleid als geheel, en de ontwikkeling in de richting van het ‘tweeverdienersschap’ in het bijzonder, volgens de VROM-raad reden om de tot nu toe gehanteerde uitgangspunten op de beleidsterreinen van VROM te heroverwegen?
  • Kan de VROM-raad zodanig adviseren dat ook een bijdrage wordt geleverd aan de uitwerking van het emancipatiebeleid voor de middellange termijn in het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie (dat in november 2000 is uitgebracht).

Ter voorbereiding van het advies heeft de Raad op 28 juni 2000 een expertmeeting georganiseerd, om deskundigen te raadplegen over thema’s als de relatie tussen: huishoudentypen en emancipatie, knelpunten rond emancipatie en oplossingsrichtingen.

Op 29 september 2000 heeft de Raad zijn advies uitgebracht aan de beide bewindslieden. De hoofdlijn van het advies luidt als volgt.
De gedachte moet worden losgelaten dat de ruimtelijke ordening direct invloed kan uitoefenen op emancipatoire ontwikkelingen. Wel is het mogelijk, zij het in beperkte mate, om door middel van ingrepen in de ruimtelijke ordening desgewenst geëmancipeerde leefpatronen mogelijk te maken. De Raad levert met het advies een bijdrage aan het vinden van die ruimtelijke ingrepen.

Alvorens in te gaan op de verschillende vragen uit de adviesaanvraag heeft de Raad zijn stellingname verduidelijkt ten aanzien van enkele uitgangspunten van de Meerjarennota.

De Raad zegt in zijn advies dat er de afgelopen eeuw voortdurend processen aan de orde zijn geweest die hebben bijgedragen aan een groeiende differentiatie tussen de aanwezige huishoudens. Het betreft zowel hun samenstelling, hun prioriteiten in het leven, hun bezighedenpakket en interne taakverdeling, als hun deels op deze prioriteiten en verdelingsarrangementen aansluitende woonsituatie. De Meerjarennota signaleert deze verschillende huishoudtypen wel, maar concentreert zich in de verdere uitwerking maar op één model, het combinatietype. De Nota is er niet duidelijk over hoe de wensen van mensen in de verschillende levensfasen zich verhouden tot dit combinatietype. De Raad acht de differentiatie van huishoudens een essentieel uitgangspunt in het emancipatiebeleid en vindt de keuze voor één type huishouden, het combinatietype, te eenzijdig. Daarbij vraagt hij zich af of deze benadering wel voldoende oplossingsmogelijkheden biedt. Men zoekt beleidsmatig naar een standaard die feitelijk niet bestaat en normatief te eenzijdig is.

Daarnaast wordt volgens de Raad in de Meerjarennota het emancipatiegehalte, en de wijze waarop mannen en vrouwen hun dagelijkse tijd besteden, afgemeten aan de mate waarin ze aan elkaar gelijk zijn wat betreft de omvang van hun zorgtaken en beroepsbezigheden. De Raad heeft het gevoel dat in de Nota de economische invalshoek te centraal staat. Hoewel de Raad het belang van economische zelfstandigheid onderschrijft, verengt deze stellingname het debat te zeer tot een economisch functioneel streven. Er zijn nog andere mogelijkheden dan werk om de emancipatie van de vrouw te bevorderen: naast werk en zorg bestaan in de dagindeling ook andere prioriteiten zoals vrije tijd. Een verbreding naar werk, zorg én vrije tijd doet volgens de Raad meer recht aan de verschillende leefstijlen en bestaanswijzen in de samenleving.

Verder lijkt het alsof de Meerjarennota het compact stedelijk woonmilieu vanuit emancipatoir oogpunt het meest wenselijk acht. De Raad wijst op het feit dat erkenning van differentiatie van huishoudens zich ook profileert in vestigingsgedrag. In de praktijk gaan mensen verder van hun werk wonen en wordt de keuze voor de woonplek door verschillende factoren bepaald. De Raad ziet de keuze van de woonplek als een weerspiegeling van het emancipatieproces. Elk bestaand woonmilieu, dus ook suburbane en perifeer-landelijke milieus, kent zijn eigen vorm van emancipatie en dient te worden erkend. Ook voor deze andere bestaande woonmilieus, dan het stedelijk compacte, zijn emancipatoire oplossingen te bedenken.

Dit betekent dat de Raad er geen heil in ziet dit advies het karakter te geven van een zoektocht naar het qua emancipatiegehalte meest ideale ordeningsmodel voor de ruimtelijke (her)inrichting van heel Nederland. Liever draagt hij bij aan het vinden van ruimtelijke ingrepen, die bruikbaar zouden kunnen zijn voor het verhogen van het emancipatie-accommoderend vermogen van de verschillende in werkelijkheid te onderscheiden leefmilieutypen (stedelijk, suburbaan, perifeer-landelijk) voor de daar, al dan niet slechts gedurende bepaalde fasen van hun leven, woonachtige huishoudvormen. De Raad geeft er de voorkeur aan om de verschillende woonmilieus naast elkaar te bekijken in relatie tot de woonvoorkeuren van de verschillende typen huishouden. Het aanbieden van differentiatie van woonmilieus is vanuit het oogpunt van ruimtelijke ordening goed en geeft ook vanuit emancipatie mogelijkheden.

Uitgangspunt is dat verbetering van taakcombinatie slechts kan worden bewerkstelligd als wordt gewerkt aan het slechten van drie typen knelpunten:

  • beschikbaarheidsknelpunten verbonden aan de temporele orde zoals die geldt voor onderscheiden faciliteiten (openingstijden en dergelijke),
  • bereikbaarheidsknelpunten voortvloeiend uit de ruimtelijke positie van de onderscheiden faciliteiten (ligging ten opzichte van openbaar vervoer et cetera), en
  • toegankelijksheidsknelpunten verbonden aan de, voor de onderscheiden faciliteiten geldende, sociaal-economische en sociaal-culturele toegangsvoorwaarden.

De eerste twee knelpunten worden in de Meerjarennota genoemd; de derde wordt door de Raad toegevoegd en van groot belang geacht. De aanwezigheid van voorzieningen garandeert immers nog niet de bruikbaarheid ervan, gezien bijvoorbeeld de prijs (dorpswinkel is voor sommige groepen te duur), de kwaliteit of het assortiment (denk aan sociaal-culturele verschillen in behoeften).

De Raad ziet, zij het in heel beperkte mate, mogelijkheden om via ingrepen in de ruimtelijke orde in Nederland bij te dragen aan het bewerkstelligen van omstandigheden, waarin voor vrouwen betere mogelijkheden aanwezig zijn voor het realiseren van een meer bij hun persoonlijke levensbehoeften passend geëmancipeerd leefpatroon. In dit verband stelt de Raad in dit advies met name drie ruimtelijke inrichtingsstrategieën aan de orde.
Op subregionaal niveau lijken zorgknooppunten strategische betekenis te hebben. Hierbij gaat het om concentratie van zorgvoorzieningen die voor een bepaald gebied noodzakelijk dan wel wenselijk worden geacht, zoals scholen, medische voorzieningen, crèches, etcetera. Bij het organiseren van dergelijke knooppunten moet gelet worden op de toegankelijkheid van de voorzieningen (zoals prijspeil), als op de beschikbaarheid en bereikbaarheid van het knooppunt (per auto of met aanvullend openbaar vervoer, zoals bijvoorbeeld een belbus). De overheid zal bij de ontwikkeling het voortouw moeten nemen, met name in suburbane en landelijke gebieden.

Op lokaal niveau is de rol van de overheid beperkt tot het inspelen op initiatieven van onderop. Denk bijvoorbeeld aan een groep ouders met jonge kinderen die in hun buurt een kinderdagverblijf willen oprichten. Gezien de in gang zijnde processen van schaalvergroting lijkt het de Raad niet realistisch om nog te pleiten voor een door de overheid te garanderen minimaal noodzakelijk pakket van zorgvoorzieningen op lokaal niveau.

Op het niveau van de woning moet de overheid zorgen voor woningen waarin zoveel mogelijk potenties zijn ingebouwd om thuiswerk, thuiszorg en andersoortige basisactiviteiten ter plekke te kunnen combineren: de zogenaamde brede woning. De overheid kan via haar ruimtelijke beleid en haar huisvestingsbeleid hieraan bijdragen. Vooral in stedelijke regio’s vergt dit extra aandacht.

Tot slot wijst de Raad erop dat de ruimtelijke orde ook dient te voldoen aan allerlei maatstaven van sociale rechtvaardigheid, zelfs al zou dit hier en daar gepaard gaan met aantasting van de doelmatigheid van deze orde. De ruimtelijke ordening zou in plaats van op productiviteit, meer gericht moeten zijn op leefbaarheid van de na te streven inrichting voor de burgers.