Wonen, beleid en legitimiteit

Bij brief van 10 december 1998 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de VROM-raad verzocht een advies uit te bregen over de onderwerpen die in de Nota Wonen aan de orde dienen te komen. In het advies beargumenteert de raad de noodzaak van een blijvend maar vernieuwd woonbeleid en geeft hij aan waar een verbreding van de nota 'de Agenda voor de discussie over het woonbeleid' in de rede ligt.

In de adviesaanvraag Nederland 2030/Woonverkenningen van 27 juni 1997 had de toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangekondigd dat de VROM-raad in 1998 een uitgebreidere adviesaanvraag over de Woonverkenningen tegemoet kon zien. In afwachting van de adviesaanvraag is de Raad in oktober 1998 begonnen met de voorbereiding van het advies ‘Wonen, beleid en legitimiteit’.

Op 10 december 1998 zond de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de Raad een adviesaanvraag ter zake. Hij kondigt hierin de kabinetsnota ‘Wonen in de 21e eeuw’ aan voor medio 2000. Hij verzoekt de Raad aan het begin van het beleidsontwikkelingsproces zijn visie te geven op de onderwerpen die in de nota aan de orde dienen te komen. Hij geeft hierbij de volgende vragen aan.

  • Wat is, gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen, in de toekomst de (inhoudelijke) legitimatie van het overheidsbeleid met betrekking tot het wonen?
  • Wat betekent dit voor de afbakening van het beleidsterrein? In hoeverre is sprake van overlap of integratie met andere beleidsterreinen?
  • Is de ordening van het volkshuisvestingsveld nog wel toegesneden op de maatschappelijke ontwikkelingen met betrekking tot het wonen, en zo nee, welke majeure wijzigingen zouden daarin moeten worden aangebracht?

Ter voorbereiding van het advies heeft de Raad op 16 maart 1999 een expert meeting belegd over de legitimiteit van overheidsbeleid in het wonen.

Op 25 juni 1999 bracht de Raad zijn advies uit aan de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, met de volgende hoofdlijn.
Er zijn veel goede redenen voor een actieve rol van de overheid in het wonen. De bewoner moet kunnen kiezen tussen huren en kopen. Een algemene stimulering door de overheid van de ene sector boven de andere is ongewenst. De fiscale behandeling van huren en kopen moet door een Staatscommissie onderzocht worden. Publieke inbedding van de woningcorporaties is wenselijk, gedwongen privatisering van de corporaties is ongewenst. Corporaties kunnen marktactiviteiten ondernemen als de inzet van het non-profitvermogen voor de kerntaken gewaarborgd is.

Er is volgens de VROM-raad een brede legitimering voor overheidsbeleid in het wonen. Deze ligt in de grote samenhang van het wonen met andere beleidsterreinen: milieu en duurzaamheid, ruimtelijke ordening, armoede en sociale zekerheid, zorg en welzijn. Maar ook het bevorderen van de doelmatigheid en de rechtvaardigheid in het wonen vormt een grond voor overheidsbeleid. In de Agenda van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is de legitimering voor overheidsbeleid te smal gedefinieerd. Ook is ten onrechte de indruk gewekt dat keuzevrijheid van de burger in het wonen haaks staat op overheidsbeleid. Om de keuzemogelijkheden van de burgers te vergroten is juist beleid nodig, zo meent de Raad.

Er zijn grote veranderingen gaande op de woningmarkt. Zo is er meer behoefte aan identiteit en zelfbeschikking, aan kwaliteit. De noodzaak om grootschalige nieuwbouw te realiseren neemt af. Er is dus een beleid nodig dat burgers maar ook de diverse instituties in het wonen meer mogelijkheden biedt. Een centrale planning door de overheid ligt hierdoor veel minder voor de hand.

De overheid dient te bevorderen dat lage-inkomensgroepen kunnen delen in de groei van de woningkwaliteit. De keuzevrijheid mag vergroot worden en een scheidslijn tussen huren en kopen moet worden tegengegaan. Dit betekent ook dat er in sociaal opzicht geen hard onderscheid mag zijn in de toegang tot stedelijke, suburbane en landelijke woonmilieus.

Verder adviseert de Raad de zekerheid van het wonen te vergroten. Risico’s van mensen in andere sferen - werk, privé - moeten niet onmiddellijk tot gedwongen verhuizing leiden. Voor keuzevrijheid en voor zekerheid in het wonen is de rol van de individuele huursubsidie van grote betekenis. Deze regeling dient naar het oordeel van de Raad deel te blijven uitmaken van het woonbeleid.

De Raad is positief over de rol van de woningcorporaties als schakel tussen de overheid en de vrije markt. Publieke inbedding van de woningcorporaties is wenselijk, in gedwongen privatisering van de corporaties ziet de Raad niets. Corporaties moeten de ruimte krijgen om een eigen keuze te maken. Zij kunnen marktactiviteiten ondernemen als de inzet van het non-profitvermogen voor de kerntaken gewaarborgd is.

Door de grotere nadruk op de keuzevrijheid mag meer gekeken worden naar de betekenis van het eigen woningbezit voor de doelen van het woonbeleid. In de Agenda van de Staatssecretaris blijft dit achterwege. Hierbij moet ook de fiscale behandeling betrokken worden (bijvoorbeeld hypotheekrenteaftrek, overdrachtsbelasting). De Raad stelt voor dat een Staatscommissie de fiscale behandeling van huren en kopen in kaart brengt en voorstellen doet voor een evenwichtige verhouding tussen huur- en koopsector.