Sterk en mooi platteland

Advies over strategieën voor de landelijke gebieden

De VROM-raad beschouwt Nederland binnen de context van de Europese ruimtelijke orde als een relatief dichtbevolkt stedelijk veld. De rurale samenleving die de nog aanwezige groene ruimten in dit stedelijk veld bevolkt, is dankzij de sterk ontwikkelde mobiliteit en telecommunicatie volledig verweven met de stedelijke samenleving. De opdringende stedelijkheid leidt tot tal van nieuwe aanspraken van de samenleving op de landelijke gebieden. Die zijn daar echter niet op ingericht.

De VROM-raad doet derhalve een aantal aanbevelingen om regionaal gedifferentieerd tot de gewenste ruimtelijke inrichting van de landelijke gebieden te komen. Het realiseren van deze beleidsaanbevelingen vergt extra beleidsinspanningen, interbestuurlijke samenwerking en verbetering van in te zetten instrumenten op het gebied van de ruimtelijke ordening, de landinrichting en het beheer.

In het werkprogramma 1998 heeft de VROM-raad aangegeven dit onderwerp van groot belang te achten. In de brief van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over de ‘adviesvoornemens’ voor 1999 wordt opgemerkt dat de Raad medio 1998 zal worden gevraagd om - parallel aan de ontwikkeling van een Strategische Visie Landelijk Gebied door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer - een advies uit te brengen over een nader te bepalen inhoudelijk thema. In juli 1998 is de Raad - in afwachting van een adviesaanvraag - begonnen met de voorbereiding van het advies ‘Sterk en mooi platteland’.

Voor het advies heeft de Raad in 1998 een studie laten schrijven over de agrarisch ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland en vier essays over de kwaliteit van het Nederlandse cultuurlandschap. Voorts heeft de Raad in januari 1999 regionale rondetafelgesprekken belegd in Noordwest-Groningen/Noordoost-Friesland (Lauwersland), Midden-Brabant, de ‘Groenblauwe Slinger’ (het gebied ten zuidwesten van het Groene Hart tussen Den Haag, Rotterdam en Zoetermeer) en Zeeland.

Op 18 februari 1999 vroegen de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de toenmalige Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de Raad voor het Landelijk Gebied en de VROM-raad om advies over de toekomstigeruimtelijke ordening en inrichting van de landelijke gebieden in Nederland. De beide raden hebben contact met elkaar onderhouden over de uit te brengen adviezen.

Op 13 juli 1999 bracht de VROM-raad zijn advies uit aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en eveneens aan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, met de volgende hoofdlijn.
Nederland is feitelijk een stad in Noordwest-Europa met grote 'groene longen': het platteland. De voortgaande verstedelijking maakt het platteland, dat steeds meer het domein van alle Nederlanders is, snel schaarser. De VROM-raad wil krachtig beleid om de landelijke gebieden gereed te maken voor de samenleving van de 21e eeuw. Dit vergt regionaal maatwerk door sterke provinciebesturen. Het platteland krijgt een breder sociaal-economisch draagvlak doordat nieuwe bewoners en ondernemers zich vestigen in bestaande woningen en bedrijfsgebouwen. Boeren krijgen een bredere functie. De voltooiing van de Ecologische Hoofdstructuur heeft de hoogste prioriteit. Extra accent wordt gelegd op investeren in de hoge omgevingskwaliteit van het Noorden en Zeeland, beide nog unieke 'open' gebieden. In het drukke West- en Zuid-Nederland pleit de Raad voor een beheerst verstedelijkingsexperiment in twee corridors.

De druk op het Nederlandse platteland neemt toe. Door verstedelijking en toenemende mobiliteit dreigt het platteland te versnipperen en te 'verstenen'. Tegelijkertijd groeit de behoefte van de samenleving aan natuur en recreatie. Om een frontale botsing tussen beide ontwikkelingen te voorkomen, zijn duidelijke keuzen nodig. De VROM-raad doet daarvoor aanbevelingen. Hij onderscheidt in het platteland naar de mate van verstedelijking: overdrukgebieden (nabij de Randstad), overloopgebieden (groeiregio's in Oost- en Zuid-Nederland) en onderdrukgebieden (het Noorden en Zeeland).

De Raad beziet de wenselijke ontwikkeling van deze regio’s vanuit vier kwaliteitscriteria: economische doelmatigheid van het grondgebruik, sociale rechtvaardigheid, ecologische duurzaamheid en culturele identiteit.

De Raad meent dat land- en tuinbouw dominante grondgebruikers blijven. Zij moeten produceren binnen steeds strengere milieu-eisen en voor kieskeuriger consumenten. Bovendien beheren zij het grootste deel van ons cultuurlandschap. Waar agrarische productie onverenigbaar is met het behoud van biodiversiteit, moeten landbouw en natuurbeheer worden gescheiden. In elk geval moet meer publiek en privaat geld vrijgemaakt worden om de Ecologische Hoofdstructuur volgens plan in 2018 te voltooien.

Het tempo waarin grote aaneengesloten eenheden natuurgebied tot stand komen ligt nu onaanvaardbaar laag. Om ook de noodzakelijke extra aandacht voor cultuurhistorische monumenten te waarborgen suggereert de Raad de aanwijzing van een financieel gewaarborgde 'cultuurlandschappelijke kerncollectie Nederland'.

De vitaliteit van het platteland kan volgens de VROM-raad een krachtige impuls krijgen door het nieuwe wonen en werken in landelijke gebieden te bevorderen. Dit wordt mogelijk dankzij de toegenomen mobiliteit en communicatiemogelijkheden. Nieuwe bewoners en ondernemers kunnen zich vestigen in bestaande woningen en voormalige boerderijen in de onderdrukgebieden. Dit verstevigt het draagvlak voor openbare voorzieningen en gaat verdere leegloop tegen. Nabij stedelijke gebieden stelt de Raad rood voor-groen regelingen voor om stadsrandzones duurzaam in te richten.

Vooral in het Noorden en Zeeland zijn forse investeringen nodig in de regionale ruimtelijke kwaliteit in het belang van de gehele Nederlandse en Noordwest-Europese samenleving. Hier is nog ruimte voor een sterke en schone landbouw, en voor toerisme en recreatie, gekoppeld aan rijke landschappen en een robuuste Ecologische Hoofdstructuur.

De prioriteiten van de commissie-Langman moeten in dit kader nog eens worden bezien.

Het groeiende belang van het platteland als leef- en verblijfsruimte rechtvaardigt extra investeringen in de bereikbaarheid ervan. Knelpunten in de ontsluiting van recreatieve trekpleisters zoals de Zeeuwse kust moeten worden opgelost. Speciale openbaar vervoervoorzieningen kunnen helpen de seizoenspieken op te vangen. Regionale zonering van diverse soorten recreatie moet de aantrekkelijkheid van het toeristisch-recreatieve product van Zeeland verder verhogen. In de overdrukgebieden zoals het Groene Hart moet de inrichting voor fietsers, wandelaars en vaarrecreanten veel aantrekkelijker worden en het schrijnende tekort aan recreatiemogelijkheden worden verkleind.

De verdere verstedelijking in de landelijke gebieden moet in goede banen worden geleid. Daarom bepleit de VROM-raad een zorgvuldig experiment met twee corridors: Amsterdam-Den Haag-Rotterdam en Breda-Tilburg-Eindhoven. Hierdoor kan beheerste verstedelijking samengaan met het open houden van gebieden die behoren tot de Ecologische Hoofdstructuur.

De landelijke gebieden kennen een grote regionale verscheidenheid. Het behoud daarvan vergt effectief inrichtingsbeleid door sterke, initiërende provincies. Zij moeten daartoe de beschikking krijgen over betere instrumenten en de bijbehorende financiële middelen.