Stad en wijk: verschillen maken kwaliteit

Visie op de Stad

De raad ziet verschillen tussen en binnen de steden van ons land niet als een probleem maar als een kwaliteit. Er moet door de overheid en door andere partijen flink in de stad worden geïnvesteerd om te voorkomen dat de kwaliteit van de woonmilieus in de stad achterblijft bij de vraag van de bevolking. Stedelijke vernieuwing moet helpen om tegemoet te komen aan de gevarieerde woonwensen van mensen die in de stad wonen en willen wonen.

De sturing moet gericht zijn op het bieden van meer keuzemogelijkheden van de bewoners in de stad en in de wijk en niet op het plannen en maken van een andere bevolkingssamenstelling in de stad en in de wijk. Beleid gericht op een ongedeelde stad moet zich niet toeleggen op het wegwerken van alle verschillen tussen wijken, maar moet, heel specifiek, uitsluiting en harde sorteermechanismen tegengaan. Het beleid moet werken aan grotere toegankelijkheid van wijken.

In zijn advies van 5 juni 1997 over de Ontwerpnota Stedelijke Vernieuwing heeft de VROM-raad reeds aangegeven zijn visie op de toekomst van de stad verder te willen uitwerken en zich daarbij ook internationaal te willen oriënteren. In het werkprogramma 1998 is het onderwerp ‘Visie op de stad’ opgenomen als een meerjarig thema. In afwachting van een adviesaanvraag is de Raad in maart 1998 begonnen met de voorbereiding van een eerste advies.

In het kader van de opstelling van dit advies heeft de Raad in oktober, november en december 1998 vier expert meetings georganiseerd teneinde deskundigen te raadplegen over de volgende opgaven van de stad: de fysieke, de economische, de sociale en de ontwerp-opgave.

Op 16 december 1998 vroeg de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, mede namens de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid, de Raad om advies.

Op 19 april 1999 bracht de Raad zijn advies ‘Stad en wijk: verschillen maken kwaliteit’ uit, met de volgende hoofdlijn.
Stedelijke vernieuwing moet vooral tegemoet komen aan de gevarieerde woonwensen van mensen die nu in de steden wonen en van hen die er graag zouden willen wonen. Er moeten meer keuzemogelijkheden zijn voor de huidige bewoners, zodat zij geen reden hebben om de stad de rug toe te keren omdat de woning van hun voorkeur niet te vinden is. Dit moet het belangrijkste motief zijn voor een beleid van stedelijke herstructurering, en niet zozeer het tot stand brengen van een andere bevolkingssamenstelling. Een beleid dat te veel gericht is op het aantrekken van huishoudens met hogere inkomens van buiten de stad schiet zijn doel voorbij. De omvang van die groep is niet alleen beperkt, maar ook schiet de aandacht voor de bestaande bevolking dan te kort. Tussen en binnen de steden bestaan verschillen (woningvoorraad, bevolking). Deze verschillen hoeven niet uitsluitend als een probleem gezien te worden. Integendeel: in veel gevallen kunnen verschillen juist als kwaliteit aangemerkt worden. Niet het wegwerken van verschillen tussen steden en in de steden tussen de verschillende wijken moet centraal staan, maar het bieden van keuzemogelijkheden aan bewoners en het tegengaan van uitsluiting. Elke wijk heeft daarbij zijn eigen bijzonderheden en eigen kwaliteiten. Uitgaan van gemiddelden kan de kwaliteit van het verschil tenietdoen. Verschillen moeten echter niet op uitsluiting zijn gebaseerd. Keuzevrijheid voor iedereen en waardering voor het verschil liggen in elkaars verlengde.

Steden staan voor omvangrijke opgaven: aanpassingen in de stedelijke woningvoorraad, verbetering van bedrijvigheid en de economische structuur, herwaarderen van de openbare ruimte, het zoeken naar de juiste relatie tussen stad en landschap.

Maar ook de sociale problematiek, in verschillende gedaanten tot uitdrukking komend, vraagt om een samenhangende en structurele aanpak. Samenhang en gelijktijdigheid in de investeringen in de fysieke en sociale en economische sfeer zijn noodzakelijk.

Omvangrijke investeringen van overheden, corporaties en marktpartijen zijn nodig om de kwaliteit van woningen en woonmilieus in de steden in overeenstemming te brengen met de vraag van de bevolking. Het gaat dan om investeringen voor een periode van ten minste tien jaar. Deze investeringen moeten passen in een beleidskader, gericht op de ongedeelde stad; dit komt neer op het bieden van ruimte aan verscheidenheid in woonmilieus. Beleid gericht op de ongedeelde stad richt zich op het bieden van ruimte aan verscheidenheid in woonmilieus zonder uitsluiting. Verscheidenheid is gewenst door toename van de welvaart en een grote verscheidenheid aan leefstijlen, niet in de laatste plaats een variëteit in etnische zin. Een variëteit van ingrepen is nodig: de vragen zijn gevarieerd en de oplossingen zullen dan ook gevarieerd moeten zijn.

De Raad dringt er op aan om per VINEX-regio een goede afstemming te organiseren tussen de noodzakelijke herstructurering van de woningvoorraad, de VINEX-nieuwbouw en de overige nieuwbouw. Het kan niet de bedoeling zijn dat de steden door de nieuwbouw worden leeggezogen.

Met het benutten van de stuwende kant van de stedelijke diensteneconomie kan de stedelijke economie versterkt worden. Ook moeten de cultuurhistorische potenties van de steden meer benut worden. De stad is een kansrijk productiemilieu voor innovatie. Mede hierom zou de kloof tussen de informele en de formele economie verkleind moeten worden.

De vorming van het Investeringsfonds Stedelijke Vernieuwing kan een belangrijke stimulans zijn om tot vernieuwing van het beleid te komen. Een meerjarig financieel perspectief en een decentrale aanpak zijn van wezenlijk belang. De bijdragen middels dit investeringsfonds zijn echter gering ten opzichte van hoge verwachtingen die gesteld worden en zijn ook beperkt als ze worden afgezet tegen de bijdragen die van corporaties en marktpartijen verwacht worden. Er dreigt een gevaar van stagnatie door de beperkte definiëring van herstructurering en door de afhankelijkheid van andere partijen. Vergroting van de omvang van het fonds moet overwogen worden. De rijksoverheid kan zich het beste met de beperkte middelen naar de steden initiërend en betrokken opstellen. Het is niet verstandig te vluchten in procedurele toetsingen, die veel papier en veel inspanning vragen.
In het leven roepen van gekwalificeerde en gemengd samengestelde visitatiecommissies verdient aanbeveling.