Stedenland-Plus

Advies over 'Nederland 2030 - Verkenning ruimtelijke perspectieven' en de 'Woonverkenningen 2030'

De adviesaanvraag van de minister betreft zowel ‘Nederland 2030 - Verkenning ruimtelijke perspectieven’ (hierna afgekort tot NL2030) als de ‘Woonverkenningen 2030’ (WV). In dit advies besteedt de Raad de meeste aandacht aan NL2030. De Raad gaat hierbij niet uitvoerig in op de vraag naar de geschiktheid van het instrumentarium van de ruimtelijke ordening.

Met betrekking tot sturing weerspiegelen de conclusies de noodzaak van een op onderdelen sterke (rijks)overheidssturing in de ruimtelijke ordening, die tot op zekere hoogte aansluiting zoekt bij overheersende maatschappelijke trends. De Raad gaat hier in zijn binnenkort uit te brengen advies over ‘Sturing van het leefomgevingsbeleid’ meer diepgaand op in. Het voorliggende advies heeft ook sterke raakvlakken met het advies over ruimtelijk-economische structuurversterking. Beide adviezen zullen in de eerste helft van 1998 verschijnen.

Het adviesthema Verkenningen maakte reeds deel uit van het werkprogramma 1997 van de VROM-raad en liep door tot in 1998. Op 27 juni 1997 vroeg de Minister van VROM de Raad om advies over de Discussienota ‘Nederland 2030, verkenning ruimtelijke perspectieven’ en over de Woonverkenningen 2030. De Raad bracht op 16 april 1998 zijn advies uit, met de volgende hoofdlijn.
De VROM-raad kiest in zijn advies over de Verkenning ruimtelijke perspectieven (Nederland 2030) het perspectief Stedenland als uitgangspunt, maar vindt aanpassing noodzakelijk. Stedenland gaat van de vier perspectieven het meest zorgvuldig om met de ruimte, en doet de kwaliteiten van stad en land het meeste recht. Er zijn echter enkele wezenlijke amendementen nodig om voldoende te kunnen reageren op maatschappelijke en ruimtelijke trends. Eén hiervan is de beheerste ontwikkeling van enkele corridors. De VROM-raad komt daarom met een eigen perspectief: Stedenland- Plus. Het aldus aangepaste ruimtelijk beleid moet opnieuw het integratiekader worden voor de afweging van de miljardeninvesteringen (ICES) waar het kabinet voor staat.

De amendementen die de VROM-raad voorstelt, spelen in op sterke ruimtelijke trends in de samenleving die blijken uit de feitelijk optredende vestiging van bedrijvigheid en huishoudens buiten de stedelijke kerngebieden. Aan deze behoefte kan meer dan tot nu toe ruimte worden geboden. Dat kan in zogenaamde corridors, die de VROM-raad omschrijft als een verstedelijkingsas, opgebouwd langs doorgaande verkeersverbindingen via wegen en rail en waar mogelijk via water. Deze as is samengesteld uit bestaande stedelijke kernen in combinatie met tussengelegen, in suburbane dichtheden uit te voeren bebouwingszones. Deze bebouwingszones zijn zowel bedoeld voor bedrijven en kantoren als voor voorzieningen en woningen. De corridors krijgen regionaal verschillend vorm, rekening houdend met de bevolkingsdruk.

De VROM-raad vindt het belangrijk dat de integratie van de Randstad en de Stedenring Centraal Nederland in het centraal stedelijk netwerk van Noordwest Europa ook op lange termijn verzekerd wordt. Daarom pleit de VROM-raad voor het verbeteren van de railinfrastructuur voor personenvervoer en voor multimodaal goederenvervoer, het op peil houden van het afwikkelingsniveau voor het (inter-)nationaal wegverkeer en het verbeteren van de mainport-faciliteiten rond Amsterdam en Rotterdam. De stedelijke centra moeten ruimte bieden aan attractieve vestigingsmilieus voor zakelijke dienstverlening en voor wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs: de steden als brainports. Het stedelijk wonen dient aantrekkelijker te worden door het vergroten van de variatie van woningen en woonbuurten, en daarmee van de sociale diversiteit in de steden. Ook is het nodig om culturele en recreatieve voorzieningen te verbeteren en openbare ruimten opnieuw in te richten.

Het Rijk staat voor de fundamentele vraag welke koers te kiezen voor het Noorden van het land en voor Zeeland: aansluiten bij het centrale stedelijke netwerk van Noordwest-Europa óf benutten van de (natuurlijke) potenties van deze gebieden. Voor relatief perifeer gelegen delen van het landelijk gebied - met name in het Noorden en Zeeland - zijn extra investeringen nodig in de kwaliteit van de leefomgeving en de sociaal-economische structuur van de dorpen. De VROM-raad steunt het open-ruimtenbeleid uit het perspectief Stedenland maar stelt dat Nederland samen met de buurlanden ook de grensoverschrijdende waardevolle open ruimten moet beschermen. De VROM-raad ondersteunt de uitruil-strategie uit het perspectief Stedenland, waarbij wordt geïnvesteerd in uitruil van functies in het landelijk gebied om de ecologische hoofdstructuur van Nederland te realiseren, productieruimte voor een duurzame landbouw te behouden, geschikte takken van intensieve agrarische bedrijvigheid te concentreren en om recreatiegebieden in het landelijk gebied te creëren.

Stedenland-Plus komt meer dan Stedenland tegemoet aan de werkelijke ruimtelijke ontwikkelingen van dit moment, maar vereist - evenals Stedenland - niettemin een sterk sturende rol van de overheid. Handhaving van het restrictieve beleid buiten stedelijke kernen en aangewezen corridors zal extra aandacht vragen.

Het ruimtelijk beleid moet het integratiekader vormen waarbinnen investeringsbeslissingen worden getoetst aan één, door het kabinet onderschreven, langetermijnvisie voor de ruimtelijke inrichting van Nederland. Het is niet verstandig dat verschillende departementen thans afzonderlijk ruimtelijke visies naar buiten brengen. Indien het vigerend ruimtelijk beleid tot 2010 niet voldoet als richtinggevend kader voor de grote investeringen (ICES), die op korte termijn beoordeeld moeten worden, dan dient het kabinet niet te aarzelen om het VINEX-beleid (tot 2010) alsnog te herzien.

De agenda voor de volkshuisvesting is zeker toereikend voor een intensief debat over de hoofdlijnen van beleid, aldus de VROM-raad in een eerste reactie op de Woonverkenningen 2030. Dit debat zal moeten gaan over de aanpak van het sociale vraagstuk aan de onderkant van de woningmarkt en over de rollen die de rijksoverheid en de maatschappelijke actoren (zoals de woningcorporaties) daarbij zullen spelen. Nader onderzoek is nodig naar de duurzaamheid van het wonen, ook in relatie met mobiliteit en recreatie. De huishoudens van de toekomst moeten nog worden getypeerd.

De Woonverkenningen ondersteunen in de ogen van de VROM-raad de roep om nuancering (dat is niet hetzelfde als afschaffen) van het compacte-stadbeleid omdat dogmatische interpretatie van compactheid op enig moment gaat wringen met de toenemende kwaliteitseisen die aan het wonen gesteld zullen worden.