De sturing van een duurzame samenleving

Advies over de sturing van het leefomgevingsbeleid

In het advies telt de raad voor het belang van een duurzame kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de politieke afweging te versterken. Daaroe moeten ook andere ministers, meer dan nu het geval is, verantwoording afleggen over hun bijdrage aan het halen van de doelen voor de belangrijkste onderdelen van het milieubeleid en het ruimtelijk beleid.

De raad neemt enige afstand van de opvatting in de adviesaanvraag dat integratie c.q. convergentie van in het leefomgevingsbeleid gehanteerde sturingsconcepten noodzakelijk is. Hij komt dan ook niet tot een keuze voor één sturingsconcept voor het leefomgevingsbeleid. Wel bepleit de raad het instellen van een nationaal overlegkader tussen rijk en relevante maatschappelijke actoren over grote vraagstukken op het terrein van de leefomgeving, het zgn. Groen Poldermodel. Daarnaast vindt de raad dat er een nieuwe nationale Nota Ruimtelijke Ordening moet komen als ruimtelijk integratiekader voor besluitvorming over ruimtelijke structurerende elementen zoals grote infrastructurele projecten. De raad is geen voorstander van het opstellen van één nota op nationaal niveau waarin zowel ruimtelijke als miliebeleidsplannen worden opgenomen.

Op 27 juni 1997 vroeg de Minister van VROM de VROM-raad om advies over de sturing van het leefomgevingsbeleid. In het kader van de voorbereiding van dit advies heeft het secretariaat op 18 november 1997 een rondetafelgesprek georganiseerd met externe deskundigen en de werkgroep, voorgezeten door de voorzitter van de Raad. De Raad bracht op 24 april 1998 zijn advies uit aan de Minister van VROM, met de volgende hoofdlijn.
De tijd is rijp voor het instellen van een nationaal overlegkader tussen rijk en maatschappelijke organisaties over grote vraagstukken op het terrein van de leefomgeving, een “groene” variant op het Poldermodel. Dit doet recht aan zowel het toegenomen politieke belang van leefomgevingsvraagstukken, als de grote betrokkenheid van maatschappelijke actoren bij deze vraagstukken. Op deze wijze kan het draagvlak voor het beleid én de effectiviteit van het beleid naar verwachting worden vergroot.

Verder vindt de VROM-raad dat de kwaliteit van de fysieke leefomgeving zwaarder moet meewegen in de politieke besluitvorming. Om dit te realiseren wil de Raad dat andere ministers, meer dan nu het geval is, verantwoording afleggen over het uitvoeren van milieubeleid en het ruimtelijk beleid. De minister van VROM moet wel verantwoordelijk blijven voor het vaststellen van de doelen en de coördinatie. Ministers die beleid voeren met consequenties voor de kwaliteit van de leefomgeving, (zoals die van Economische Zaken, van Verkeer en Waterstaat, en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) moeten volgens de VROM-raad periodiek aan de Tweede Kamer rapporteren in hoeverre hun beleid heeft bijgedragen aan het halen van de doelen voor de belangrijkste onderdelen van het milieubeleid en het ruimtelijk beleid. Voor milieubeleid valt vooral te denken aan de thema’s klimaat, verzuring, vermesting en geluid. Bij ruimtelijk beleid moeten de departementen aangeven in hoeverre hun beleid heeft bijgedragen aan het uitvoeren en realiseren van beleid dat is vastgelegd in planologische kernbeslissingen (PKB’s). Een goed moment voor deze periodieke verantwoording is bijvoorbeeld jaarlijks bij het indienen van de begroting.

Daarnaast pleit de Raad voor het integreren van besluitvorming over de belangrijkste ruimtelijk relevante projecten en ontwikkelingen op nationaal niveau in een nieuwe nationale Nota Ruimtelijke Ordening. De VROM-raad vindt het niet verstandig om een alomvattende integratie van het VROM-beleid na te streven, noch intern (binnen VROM), noch extern (met andere departementen). Een selectieve integratie van ruimtelijk relevant beleid acht de Raad daarentegen wel zinvol. De Raad pleit daarom voor het voortzetten van de bestaande traditie van nationale Nota’s Ruimtelijke Ordening als integratiekader. Aan een afzonderlijke Nota voor de leefomgeving bestaat dan geen behoefte. Dit standpunt strookt overigens goeddeels met de mening van de Tweede Kamer zoals verwoord in een motie bij de behandeling van de Actualisering van de VINEX.

De VROM-raad onderschrijft het uitgangspunt “decentraal wat decentraal kan en centraal wat centraal moet”. In de praktijk betekent dit dat bij milieuproblemen op lokaal en regionaal niveau meer decentralisatie mogelijk is. Te denken valt aan bijvoorbeeld geurhinder, geluid uit stationaire bronnen en bodemkwaliteit. In het ruimtelijk beleid daarentegen worden de nadelen van de decentrale besluitvorming op een aantal punten steeds manifester. De Raad pleit dan ook voor een strakkere centrale regie in de ruimtelijke ordening over ruimtelijk structurerende elementen op nationale schaal. Daarbij moet zo nodig de aanwijzigingsbevoegdheid uit de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) gebruikt worden.

Andere thema’s die in het advies aan de orde komen zijn onder meer het belang van correcte procedures en consultatie van maatschappelijke actoren (“legitimiteit boven effectiviteit”), sturingsfilosofieën en instrumentkeus voor leefomgevingsbeleid.