Advies over het concept Europees Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief (EROP)

Het Europees Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief (EROP) verdient aanvaarding, ondersteuning en verdere uitbouw. In het Nederlandse overheidsbeleid bestaat op alle drie niveaus van oudsher (decenniën, zo niet een eeuw) grote aandacht voor de ruimtelijke dimensie van beleidsmaatregelen. Enerzijds is de ruimtelijke ordening expliciet een eigen beleidsdomein met instrumenten als bestemmingsplan, streekplan en nationale nota’s, anderzijds leeft bij onderscheiden vormen van sectorbeleid (landbouw, infrastructuur, enz.) ook goede aandacht voor de ruimtelijke dimensie van zulk beleid.

In ons land leeft de overtuiging, dat een goede ruimtelijke vormgeving naast “schoonheid als eigenbelang” ook welvaart en welzijn dient; tegenwoordig wordt de positieve waarde van zulk een beleid vaak gesteld in termen van bevordering van de kwaliteit van de leefomgeving ten gunste van economische concurrentiekracht, sociale cohesie, ecologische duurzaamheid en culturele identiteit. Nu de leefomgeving meer en meer een Europese leefomgeving wordt, is het van belang, dat ook de ruimtelijke dimensie op Europees niveau sterkere aandacht krijgt. In die zin is het eerste concept EROP een wezenlijke stap vooruit. Beleidsmatig is het een grote prestatie dat het concept EROP is verschenen, zeker in het heersende Europese klimaat dat politiek geen ruimte biedt voor nieuwe Europese ordenende dimensies.

Op 26 juni 1997 vroeg de Minister van VROM de VROM-raad om advies over het eerste concept van het Europees Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief (EROP), dat op 9 en 10 juni 1997 was aangenomen door de Ministers voor ruimtelijke ordening van de lidstaten en de Commissaris voor het regionaal en cohesiebeleid. De Minister stelde de Raad twee vragen:
1. in hoeverre dragen de beleidslijnen in het EROP bij aan een optimale ontwikkeling van Nederland in Europees perspectief, met name met betrekking tot:

  • de concurrentiepositie van de Nederlandse regio’s en steden
  • het belang van Nederland als klein, dichtbevolkt land bij duurzame ontwikkeling en milieubeheer
  • de distributie- en transportbelangen van Nederland 
  • de belangen van Nederland ten opzichte van de verdere ontwikkeling van de landbouw en de kwaliteit van de landelijke gebieden;

2. op welke wijze kan de ontwikkeling van een meer geïntegreerde gebiedsbenadering, vooral op transnationaal niveau, Nederlandse belangen dienen?

In het kader van de voorbereiding van dit advies hebben de werkgroep vanuit de Raad en de projectgroep vanuit het secretariaat op 12 november 1997 een gezamenlijke studiereis naar Brussel ondernomen voor een discussie met de heren F.W.C. Castricum (lid Europees Parlement voor de PvdA) en dr. D. Eisma (lid Europees Parlement voor D’66) en de heer Ph. Doucet (Europese Commissie, DG XVI, Regionaal Beleid en Cohesie). Voorts heeft het secretariaat op 19 november 1997 een rondetafelgesprek georganiseerd met externe deskundigen en de werkgroep, voorgezeten door de voorzitter van de Raad.

Bij de voorbereiding van het advies heeft de Raad eigener beweging samenwerking gezocht met enkele andere adviesraden. Op grond daarvan heeft de Raad voor het Landelijk Gebied een bijdrage geleverd aan de totstandkoming van het advies.

Op 30 januari 1998 heeft de Raad zijn advies uitgebracht aan de Minister van VROM. Vanwege het karakter van de problematiek heeft de Raad het advies tegelijkertijd aangeboden aan de bewindslieden die verantwoordelijk zijn voor aan het EROP gelieerde beleidsterreinen, aan de Europese Commissaris verantwoordelijk voor het regionaal en cohesiebeleid en aan de voorzitter van Commissie 4 (Ruimtelijke Ordening, Stadsbeleid, Energie, Milieu) van het Comité van de Regio’s. Het advies kent de volgende hoofdlijn.
Het eerste concept Europees Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief (EROP) verdient aanvaarding en uitbouw. Het bevat ondanks een zekere economische eenzijdigheid geen echte nadelen voor ons land. Het is een grote prestatie van de Europese ministers van ruimtelijke ordening, dat zij dit document hebben opgesteld. De vervolgstappen vergen echter wel de nodige behoedzaamheid. Anders is het in het heersende Europese politieke klimaat snel gedaan met de geleidelijke ontwikkeling van dat EROP.

De Raad wijst erop dat in ons land op alle overheidsniveaus al heel lang grote aandacht bestaat voor een goede ruimtelijke vormgeving. De leefomgeving wordt meer en meer een Europese leefomgeving. Het is daarom van belang dat de ruimtelijke dimensie grotere aandacht krijgt in het Europese beleid. Het eerste concept EROP is een wezenlijke stap vooruit. Het moet van onderop verder groeien, niet als plan, maar als perspectief door onderzoek en verkenning.

Actieve internationale samenwerking is belangrijk voor de realisering van de ruimtelijke doelen van ons land. Deze samenwerking kan het best selectief en kleinschalig vorm krijgen in thematische, probleemgerichte samenwerkingsverbanden. De diversiteit van Europa is groot en moet ook gerespecteerd worden, juist in het belang van Europese samenwerking. De regio’s moeten zich met behoud van de diversiteit ruimtelijk zo ontwikkelen, dat ze economisch gelijkwaardige kansen hebben. Ruimtelijke maatregelen moeten de duurzame ontwikkeling van Europa dichterbij brengen op alle schaalniveaus. De komende hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zal ruimte moeten laten voor strategische keuzen van nationale en regionale overheden omtrent hun landelijke gebied.

De aandacht van de Europese fondsen zal moeten verschuiven van de landelijke gebieden naar de stedelijke regio’s, in het bijzonder de zwakke plekken daarin. Ook is het nodig die Europese regio’s te versterken, die een bijdrage kunnen leveren aan de kracht van Europa in de mondiale economische verhoudingen. Nederland moet in Europa kunnen doorgaan met waar het goed in is: het bedrijfsmatig en (milieu)efficiënt vervoeren. Echter onder de voorwaarde dat duurzaamheid een belangrijker rol gaat spelen bij het transportbeleid, vooral voor het goederenvervoer. Verder moeten internationale luchthavens en zeehavens rationeel taken gaan verdelen met aandacht voor ruimte en milieu. Ten slotte verdienen technologische innovatie en corridors veel meer aandacht in het EROP.