Bodemdaling in veenweidegebied het Groene Hart

Verwacht voor de zomer 2020
Welke keuzes moeten worden gemaakt in verband met de negatieve effecten van bodemdaling in het veenweidegebied Groene Hart en door wie?
Veenweidegebied bij Demmerik, rond Vinkeveen

Aanleiding en adviesvraag

In veel gebieden in Nederland zakt de bodem. Vooral in veenweidegebieden is dit het geval. Dit proces is al eeuwenlang gaande, maar is de afge­lopen honderd jaar geïntensiveerd door peilverlaging en schaalvergroting. De bodemdaling is niet gering. Op sommige plekken zakt de bodem met enkele centimeters per jaar.

Bodemdaling zorgt voor problemen, zoals verzakking van infrastructuur en gebouwen, CO2-uitstoot door veenoxidatie, achteruitgang van waterkwaliteit en bodemleven. Het heeft bovendien negatieve gevolgen voor het gebruik van landbouwgronden. De gangbare manier om hiermee om te gaan, namelijk verlaging van het waterpeil, is op de lange termijn niet overal houdbaar. Daarbij is in het klimaatakkoord afgesproken dat CO2-emissies drastisch omlaag moeten, ook die van de veenweidegebieden.

Dit Rli-advies richt zich op bodemdaling in het landelijk gebied, en meer specifiek op het veenweidegebied het Groene Hart. In dit gebied komen diverse complexe opgaven bij elkaar. Naast bodemdaling valt te denken aan de verstedelijkingsdruk in de Randstad, de wateropgave, de agrarische opgave, het opwekken van duurzame energie, opgaven van recreatie, landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit.

Veel partijen zijn bezig met de aanpak van bodemdaling in het Groene Hart. Er zijn tal van projecten, programma’s en pilots, maar uitvoering en opschaling komen moeizaam van de grond. Bovendien is er gebrek aan een samenhangende aanpak van opgaven. Ook de bestuurlijke organisatie is complex. Veel partijen houden zich bezig met bodemdaling in veenweidegebied het Groene Hart, maar tegelijkertijd wordt een gebrek aan bestuurlijke daadkracht ervaren. Er liggen diverse adviezen, rapporten en verkenningen, maar fundamentele keuzes worden (nog) niet gemaakt.

De adviesvraag luidt:

Welke inhoudelijke en organisatorische keuzes moeten worden gemaakt in verband met de negatieve effecten van bodemdaling in het veenweidegebied Groene Hart, bezien vanuit de (combinaties van) bodemdalingsstrategieën die mogelijk zijn en de samenhang met andere opgaven in het gebied? Wie zijn verantwoordelijk voor het maken van die keuzes en de uitvoering daarvan? En wat is de rol van het Rijk daarbij?

Daarbij worden de volgende deelvragen gesteld:

  1. Wat is de aard en ernst van de opgave van bodemdaling?
  2. Welke inhoudelijke keuzes kunnen worden gemaakt, in verband met de negatieve effecten van bodemdaling? Hoe hangen de keuzes rond het tegengaan van negatieve effecten van bodemdaling samen met andere opgaven in het Groene Hart, zoals verstedelijking, landbouw, water, natuur en landschap?
  3. Welke organisatorische keuzes moeten worden gemaakt, naast de inhoudelijke keuzes uit deelvraag 2? Wie zijn verantwoordelijk voor die inhoudelijke en organisatorische keuzes, en wat moet het Rijk doen?
  4. Zijn de inzichten met betrekking tot het tegengaan van de negatieve effecten van bodemdaling in het Groene Hart mogelijk ook (deels) van toepassing op andere veenweidegebieden?

Planning

De verwachting is dat dit advies voor de zomer 2020 wordt uitgebracht.

Samenstelling raadscommissie

Ellen Peper, raadslid en commissievoorzitter
Krijn Poppe, raadslid
André van der Zande, raadslid

Externe commissieleden

Marcel Boogers, hoogleraar Innovatie en Regionaal bestuur, Universiteit Twente/ BMC Advies
Gilles Erkens, geoloog, Deltares/ Universiteit Utrecht

Informatie of reactie: 

Voor meer informatie over het advies kunt u contact opnemen met Lianne van Duinen, projectleider lianne.vanduinen@rli.nl  06 15369330